Inlichtingendiensten zijn gebonden aan een ethisch kader

AMSTERDAM-LIENDEN, Het KNP:
September vorig jaar hield Bob de Graaff een lezing op de studiedag van de Netherlands Intelligence Studies Association (NISA). Onder de titel ‘Waterboarding, rendition, secret flights and secret prisons: verwording of verwezenlijking van inlichtingenvergaring als methode van terrorismebestrijding aan het begin van de 21e eeuw’, ging de Graaff o.a. in op de manier waarop inlichtingendiensten aan hun informatie komen en de mogelijke bedreigingen die dit oplevert voor de gewone burger. Ook inlichtingendiensten moeten zich aan ethische regels houden.

Bob de Graaff was tot januari 2010 hoogleraar Terrorisme en Contraterrorisme aan het departement Bestuurskunde van de Faculteit der Sociale Wetenschappen van de Universiteit Leiden en directeur van het Centrum voor Terrorisme en Contraterrorisme (CTC). Hij was de eerste hoogleraar op dit vakgebied in Nederland. Momenteel is hij senior docent/onderzoeker bij de afdeling Geschiedenis van Internationale Betrekkingen van de Universiteit Utrecht

De belangrijkste bevindingen van de Graaff:
Om de spanning te overbruggen tussen effectiviteit, zoals inlichtingen- en veiligheidsdiensten of hun politieke opdrachtgevers die wensen, en de normen en morele opvattingen die vanuit een breder maatschappelijk kader aan het optreden van zulke diensten worden gesteld, zijn de criteria van proportionaliteit en subsidiariteit ontwikkeld. Die criteria komen erop neer dat er een bepaalde verhouding moet zijn tussen het beoogde doel van inlichtingenvergaring en de ingezette inlichtingenmiddelen (proportionaliteit) en dat er geen inlichtingenmiddelen worden ingezet om informatie in te winnen die met veel minder ingrijpende methoden verkregen kan worden (subsidiariteit).

Ik wil nu in kort bestek een aantal van de inlichtingenmethoden die zijn gehanteerd in het kader van de zogeheten ‘war on terror’, in het bijzonder, toetsen aan de onderstaande vragen.

Deze vragen maken een vergelijking met de theorie van de rechtvaardige oorlog mogelijk en zijn ook terug zijn te vinden in de Nederlandse Wet op de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten. Verscheidene auteurs over ethiek en inlichtingenvergaring gebruiken de theorie van de rechtvaardige oorlog als uitgangspunt.

1.Is hier sprake van nieuwe ontwikkelingen die relevant zijn voor een ethische toetsing?
2.Is het bestaande ethische kader genoeg ontwikkeld en voldoende helder voor inlichtingenpersoneel om in concrete situaties naar eer en geweten te kunnen handelen?
3.Zijn de ingezette inlichtingenmiddelen proportioneel en subsidiair?
4.Zijn ze doelmatig?

Wat zijn nieuwe ontwikkelingen op het terrein van inlichtingenvergaring?

Ik zou de ontwikkelingen die voor dit betoog relevant zijn willen samenvatten onder de noemer ‘branchevervaging’. Ik wil een aantal van die ontwikkelingen nu noemen, steeds dadelijk gevolgd door de consequentie die zij hebben. De branchevervaging doet zich op tal van terreinen voor. In de eerste plaats in de politiek-maatschappelijke context waarbinnen inlichtingen- en veiligheidsdiensten opereren:

Het verschil tussen internationale en nationale dreiging verwatert. Gevolg: het onderscheid tussen offensieve inlichtingenvergaring in het buitenland en defensieve bewaking van de nationale veiligheid en de interne rechtsorde vervaagt. Het onderscheid tussen staatsburger en wereldburger valt weg. Ingezetenen en burgers van het ene land kunnen onderworpen worden aan het rechtssysteem van een ander land of zelfs door een vreemde mogendheid ontvoerd of gedood worden. Het systeem van ‘targeted killings’ dreigt zich bovendien over steeds bredere categorieën uit te breiden.
Het onderscheid tussen persoonlijke en publieke levenssfeer vervaagt. Gevolg: ingrepen in de persoonlijke levenssfeer door de overheid kunnen gemakkelijk worden weggeredeneerd. In beginsel is de privé-sfeer dan ook opgeheven. Het onderscheid tussen overheid en particulier vervaagt op het terrein van veiligheid (dit geldt zowel voor politie- en bewakingstaken als voor militaire taken en intelligence). Gevolg: er dreigt een situatie te ontstaan dat wat de overheid niet is toegestaan wordt uitgevoerd door particuliere diensten, die aan een minder strenge normering onderworpen zijn. Bovendien kan de vermenging overheid-privaat tot incestueuze en weinig integere verhoudingen leiden.
Mede door de grote tijdsdruk waaronder overheden menen te staan als gevolg van terrorisme, in het bijzonder als er sprake is van een mogelijk gebruik door terroristen van massavernietigingswapens, is besluitvorming steeds meer vervangen door instinctief en improviserend handelen. Gevolg: mogelijke consequenties van handelen worden steeds minder doordacht; er is sprake van een ongebreidelde dadendrang, zonder veel intelligence en zonder veel intelligentie.

Het inlichtingenwerk zelf verandert eveneens van karakter:
De schetsmatige opeenvolging van inlichtingenwerkzaamheden volgens het stramien van de intelligence cycle maakt plaats voor parallel lopende kernactiviteiten van inlichtingen- en veiligheidsdiensten. Gevolg: inlichtingenmedewerkers werken inhoudelijk steeds minder gestuurd en van buiten of bovenaf gecorrigeerd en werken steeds meer op basis van trial and error.
Door de informatierevolutie is de kennis van inlichtingen- en veiligheidsdiensten steeds meer op open bronnen gebaseerd. Gevolg: het onderscheid tussen informatie en intelligence vervaagt, wat bijvoorbeeld tot uitdrukking komt in het veelvuldig gebruik van datamining, profiling en patroonherkenning door inlichtingen- en veiligheidsdiensten; daardoor wordt in beginsel elke burger studieobject van een geheime dienst. Elke burger is verdacht, tenzij …

Steeds luider valt te horen en te lezen dat er in het Westen een surveillance staat ontstaat, die steeds meer gegevens over burgers vastlegt en waarin afwijking van de norm een steeds belangrijker criterium wordt:
Het verschil tussen beleidsformulering, c.q. besluitvorming en inlichtingenanalyse vervlakt en daarmee samenhangend: het onderscheid tussen strategisch en tactisch handelen, inclusief strategische en tactische intelligence, dreigt te verdwijnen. Gevolg: besluitvormers worden hun eigen inlichtingenanalist of gaan inlichtingenoperaties micromanagen. Deze politisering van het intelligence-proces moet bij de intelligence community wel leiden tot hetzij demoralisering wegens gebrek aan erkenning van de eigen professionaliteit, hetzij het leveren van ‘intelligence to please’.

De politisering van het inlichtingenwerk impliceert ook een concentratie op de problemen van
vandaag met te weinig aandacht voor de problemen van morgen:
Geheime diensten zijn steeds meer onderdeel van de openbaarheid geworden. Gevolg: politieke druk op inlichtingen- en veiligheidsdiensten, die deels weer het gevolg is van een publieke druk; de sinds de Koude Oorlog toegenomen transparantie van inlichtingen- en veiligheidsdiensten is niet samengegaan met een effectief verwachtingenmanagement. Integendeel, politici zijn selectief op twijfelachtige bronnen gebaseerde intelligence gaan uitventen en werden daarmee uiteindelijk de dupe van hun eigen ‘voorlichtingsbeleid’. Voorkoming van gezichtsverlies van politici leed tot prestigeverlies van inlichtingen- en veiligheidsdiensten.
Het onderscheid tussen militaire en civiele intelligence vervaagt. Gevolg: in de VS gaan, volgens insiders, de CIA en het Pentagon steeds meer op elkaar lijken.
Het onderscheid tussen inlichtingenanalyses en inlichtingenoperaties vervaagt. Gevolg: niet alleen kan dit tot amateurisme leiden dat gevolgen heeft voor de betroffenen of voor de kwaliteit van de inlichtingenanalyses, het kan ook gevaarlijk uitwerken voor het inlichtingenpersoneel, zoals eind 2009. Het eerste was bijvoorbeeld het geval met de Nederlandse minister-president aan de vooravond van de Irak-oorlog. Het tweede met president Bush, die tijdens dagelijkse briefings zich zozeer met operationele details bemoeide dat deze presidentiële pressie leidde tot druk op het personeel van inlichtingen- en veiligheidsdiensten om professioneel en ethisch onverantwoorde prestaties te leveren. Men kan ook denken aan het optreden van vicepresident Dick Cheney, die in de aanloop naar de oorlog in Irak maar liefst achtmaal de CIA bezocht, en niet om geïnformeerd te worden.
Het onderscheid tussen intelligence en covert operations wordt minder. Gevolg: in de amerikaanse praktijk zijn zij al langer samengebracht bij bijvoorbeeld de CIA. Historisch gezien betreft negentig procent van alle kritiek op en morele verontwaardiging over de CIA niet de intelligence in strikte zin, maar de covert operations. Een vermenging van beide dreigt het intelligence-werk dus in ethische zin te besmetten.
Inlichtingenvergaring en politieel-justitiële vervolging lijken in elkaar te vervloeien. Risico: politie dreigt zich te ontwikkelen tot geheime politie en inlichtingen- en veiligheidsdiensten dreigen executieve bevoegdheden te krijgen die hun in een aantal westerse landen op grond van ervaringen tijdens het Derde Rijk tot nu toe onthouden worden. De gecombineerde dreiging van terrorisme en massavernietigingswapens heeft zelf ook bijgedragen aan branchevervaging.
Het onderscheid tussen oorlog, terrorisme, guerrilla en insurgency is vaag. Gevolg: het wordt gemakkelijk elke vorm van conflict te zien als onderdeel van een wereldwijd conflict, een global war on terror of een global counterinsurgency. Ook daardoor dreigen methoden die een overheid bijvoorbeeld in het kader van een counterinsurgency op buitenlands grondgebied nog acceptabel acht te worden overgeplant naar het nationale grondgebied.
Terrorisme beweegt zich op het snijvlak van criminaliteit, oorlogvoering, een maatschappelijk probleem en een bedreiging voor de nationale veiligheid en de democratische rechtsorde. Gevolg: juist doordat het fenomeen terrorisme de domeinen van overheidsbemoeienis doorkruist, wordt een overheid die een integrale aanpak of een grand strategy tegenover dit fenomeen nastreeft verleid een staatkundig gebouw, dat het min of meer uitgebalanceerde resultaat is van decennia- of zelfs eeuwenlang bouwen, acuut opnieuw in te richten of zelfs gedeeltelijk af te breken.
Zelfverdediging en pre-emptive handelen lijken synoniem te worden, m.a.w. verdediging en agressie beginnen verdraaid veel op elkaar te lijken. Dit hangt samen met het gegeven dat de grens tussen (politiek-militaire) macht en machteloosheid vervaagt. Gevolg: Overheden gaan in hun strijdwijze steeds meer op terroristen lijken (onverwachte aanvallen; niet onderhandelen, maar kidnappen, vernederen en doden) en verliezen de moral high ground;
Het verschil tussen oorlog en vrede wordt geringer. Een gevolg: in het bijzonder de status van gevangenen in het kader van terrorismebestrijding wordt onduidelijk: gevangene, krijgsgevangene, Schutzhaft, Nacht und Nebel;
Meer dan ten tijde van de Koude Oorlog is een afhankelijkheid ontstaan van niet-westerse inlichtingen- en veiligheidsdiensten, die andere rechts- en ethische normen hanteren dan bij hun westerse partners gebruikelijk is of was. Gevolg: westerse overheden lopen het risico verantwoordelijkheid te dragen voor marteling en moord by proxy. Het ontbreken van duidelijke ethische richtlijnen ten aanzien van de buitenlandse liaison leidt nu soms al tot grote morele problemen bij medewerkers van inlichtingen- en veiligheidsdiensten;
Overheden, inclusief het politie-justitieel apparaat, handelen zowel nationaal als internationaal, steeds meer op basis van vermoedens dan op basis van bewijzen. Gevolg: de vervaging tussen bewijs en vermoeden doet zich voor in nationale rechtssystemen. Zij is ook uitvloeisel van een meer algemeen preventie-optimisme; maar deze vervaging manifesteert zich ook in de internationale arena. De vervaging tussen vermoeden en bewijs werd misschien nog wel het meest duidelijk samengevat in de zogenoemde één-procents- of Cheney-doctrine, die stelt dat als er één procent kans is op een nucleaire dreiging van een terroristische groepering de Amerikaanse regering daarop moet reageren ‘as a certainty in terms of our response’;
Overheden beoordelen mensen steeds vaker op ideeën en intenties in plaats van op hun feitelijke handelingen. Gevolg: de aandacht van overheden, vooral in het radicaliseringsdiscours, voor gevaarlijk geachte ideeën en intenties van burgers is een wezenlijke bijdrage geweest aan het creëren van een begin van een gedachtepolitie en aan het scheppen van onderling wantrouwen tussen burgers;
Het verschil tussen traditionele rechtsstaten en traditionele dictaturen wordt geringer. Gevolg: het valt niet uit te sluiten dat individuele functionarissen van westerse landen inmiddels het risico lopen op vervolging wegens oorlogsmisdrijven. En het Verenigd Koninkrijk wordt wegens onder meer de lange duur van detentie zonder aanklacht geschaard tussen landen als China en Rusland. Een professionele ethiek voor inlichtingenmedewerkers is op zich al lastig genoeg te ontwikkelen. Een basisprobleem voor inlichtingen- en veiligheidsdiensten in democratieën blijft de vraag: voor wie zij en hun medewerkers werken, anders gesteld: wat is de goede zaak die zij dienen met handelingen die onder andere omstandigheden als onethisch zouden worden getypeerd?

We moeten voorzichtig zijn met te stellen dat inlichtingenmedewerkers voor de (zittende) regering werken en de risico’s daarvan zijn in de aanloop naar de Irak-oorlog inderdaad weer gebleken; daarom zouden inlichtingen- en veiligheidsdiensten werken voor de staat, voor het volk, in het nationaal belang, voor een rechtvaardige zaak of in de geest van de grondwet. Maar in de praktijk zullen diensten en hun medewerkers zelf het antwoord moeten geven op de vraag wat de staat of het volk wil en wat het nationaal belang, de rechtvaardige zaak of de geest van de grondwet inhoudt.

Een ander belangrijk ethisch vraagstuk voor inlichtingen- en veiligheidsdiensten is de balans tussen vrijheid en stabiliteit. In het ethische kader dat domineerde ten tijde van de Koude Oorlog stond vrijheid als waarde hoog in het vaandel. Na oorlogen in Afghanistan en Irak die al langer hebben geduurd dan de Tweede Wereldoorlog is de vraag of de waarde vrijheid niet te hoog is gewaardeerd ten opzichte van de waarde stabiliteit.

Het is moeilijk in te zien hoe de hiervoor geschetste branchevervaging niet ook tot een professionele normvervaging zou leiden en het in elk geval lastig maakt een vastomlijnd ethisch kader neer te zetten. Terrorisme is de afgelopen jaren zozeer afgeschilderd als ‘het absolute kwaad’ dat het vraagstuk van de proportionaliteit er wel onder moest leiden. Tegen absoluut kwaad helpen namelijk alleen absolute middelen. Met zijn uitspraak ‘We have no higher responsibility than stopping terrorists’, zette bijvoorbeeld president Bush een toon, die ethische afweging uit de weg ging.

Op diverse terreinen hebben westerse inlichtingen- en veiligheidsdiensten de afgelopen jaren de grenzen van subsidiariteit en proportionaliteit overschreden, overigens vaak aangemoedigd door de politiek. Centraal hierbij staat het oprekken van de grenzen van verhoormethoden door amerikaanse inlichtingen- en veiligheidsdiensten, de zogeheten ‘enhanced interrogation techniques’, die zowel in strijd zijn met het door de VS ondertekende Verdrag tegen Martelen als de amerikaanse wet. Maar niet alleen op het niveau van handelingen is de proportionaliteit uit het oogverloren. Overal zijn inlichtingen- en veiligheidsdiensten sterk gegroeid.

In de VS is inmiddels het schrikbarende aantal van ongeveer 845.000 mensen werkzaam in de sfeer van inlichtingen- en veiligheidsdiensten ofwel 0,7 procent van de totale beroepsbevolking. Ik vraag me af of er een kwantitatieve norm is aan te geven voor het begrip ‘politie-’ of ‘inlichtingenstaat’ en bij welke getalsmatige verhouding ten aanzien van de beroepsbevolking die norm overschreden wordt geacht.

Daarmee zijn we aangeland bij de vraag naar de effectiviteit, want het is de vraag of met dergelijke logge apparaten en elkaar lamleggende bureaucratische verhoudingen real-time intelligence niet een illusie begint te worden. In elk geval de Amerikaanse aanpak van connecting the dots lijkt eronder geleden te hebben.

Westerse inlichtingen- en veiligheidsdiensten zijn verder weinig opgeschoten met het oprekken van normen en grenzen. Het gebruik van ondervragingstechnieken die gepaard gaan met marteling, is, zoals reeds lang bekend, niet zo effectief als wordt beweerd, aldus bijvoorbeeld een CIA-man met ervaring in Pakistan in 2002, John Kiriakou: mensen zijn bereid alles te zeggen om de pijniging te laten stoppen: ‘In practice, more empathetic psychological means, whimpy as that may sound, can yield much better results.’Ook de praktijk van targeted killing wordt al gauw een schot in eigen voet. Het draagt de risico’s in zich van wederkerigheid, aangewezen zijn op de steun van dubieuze regimes, ernstig gezichtsverlies in de internationale opinie, het gevaar van verkeerde beoordelingen en het risico dat hierdoor het aantal potentiële tegenstanders wordt vergroot in plaats van verkleind. Het gebruik van ethisch dubieuze methoden heeft bovendien tot demoralisering bij inlichtingenpersoneel geleid en tot klokkenluidergedrag.

Bij wijze van conclusie stel ik vast dat een ethisch kader voor inlichtingenpersoneel van beperkte waarde is als er niet tegelijkertijd een ethische code geldt voor de bewindslieden die verantwoordelijk zijn voor het reilen en zeilen van inlichtingen- en veiligheidsdiensten.

Ten tweede stel ik vast dat ook op het terrein van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten veel in een staat van flux is en alles met alles samenhangt, een kenmerk van de (post)moderne, geglobaliseerde wereld. Sommigen zouden geneigd kunnen zijn om de mate waarin het inlichtingenbedrijf geïntegreerd is in de samenleving te zien als een element van erkenning of verwezenlijking van het inlichtingenbedrijf, de ultieme emancipatie van een dirty profession. Ik ben daarentegen geneigd in het kader van een ethisch verantwoord opereren van inlichtingen- en veiligheidsdiensten in landen met een rechtsstatelijk en democratisch karakter te spreken van een verwording en zou ervoor willen pleiten dat het inlichtingenwerk sterker zijn autonome en specifieke disciplinaire karakter benadrukt. Herstel van branchespecifiteit zal volgens mij tot betere normering en normhandhaving leiden. Ethiek zal dan blijken een onderdeel te zijn van professionaliteit en zoals hierboven geschetst staat het hanteren van een professionele ethiek doelverwezenlijking door de inlichtingenwereld in het geheel niet in de weg. Juist omdat er zoveel in flux is, zal de individuele inlichtingenfunctionaris karakterologisch getest moeten worden op zijn mate van integriteit voorafgaand aan indiensttreding, zal hem een rudimentaire ethische beroepscode moeten worden verstrekt, zal hij vervolgens getraind moeten worden in het zelfstandig maken van ethische afwegingen – een opleidingseis dus – en zal er binnen de inlichtingengemeenschap een structurele mogelijkheid moeten worden geboden – een klankbord – voor het voorleggen van ethische vraagstukken. Het gaat namelijk te ver de oplossing daarvan uitsluitend aan de individuele inlichtingenmedewerker over te laten. Dat heeft bewezen een recept te zijn voor ‘confusion, abuse, and cover-up’.

De NISA is naar eigen zeggen een onafhankelijke studiegroep op het gebied van inlichtingen- en veiligheidsdiensten en daaraan gerelateerde politiediensten. Doel van de stichting is: het bevorderen van een geïnformeerde discussie in Nederland over alle aspecten van het werk van inlichtingen- en veiligheidsdiensten en daaraan gerelateerde politiediensten; het vergroten van de historische kennis op dit gebied en het openstellen van archieven voor research; en het bevorderen van en bijdragen aan academisch onderwijs in het vakgebied.

Lienden, 26 december 2011

Trefwoorden: