Invoering euro: een Frans-Duitse en Frans-Amerikaanse machtsstrijd

AMSTERDAM-LIENDEN, Het KNP:
“Dat we in Nederland geen gulden meer hebben en de euro delen met andere landen, is het resultaat van machtspolitiek waarin Frankrijk en Duitsland de hoofdrol spelen”. Dat meldt een speciale editie van het weekblad Elsevier met de titel ‘Ons Geld’.

“Al in 1969 spraken de regeringsleiders van de EEG af dat er zou worden gestudeerd op een gemeenschappelijke munt. Dat proces kreeg midden jaren tachtig een impuls onder invloed van de versnelling van de Europese Interne Markt, waarin onbelemmerd verkeer van goederen, diensten en kapitaal werd nagestreefd. Opeenvolgende Franse regeringen waren erg geïnteresseerd in zo’n Europese munt. Parijs kon zo via de Europese bank invloed uitoefenen op het beheer van de munt, terwijl het economisch machtige West-Duitsland zijn dominante D-mark zou moeten opgeven.

Dat paste in het Franse streven om met behulp van de Europese eenwording de Amerikaanse greep op Europa te verminderen, de Duitse invloed te beperken en de Franse greep te versterken. In die opzet paste het Franse idee dat de te vormen Europese munt de positie van de Amerikaanse dollar in de wereld naar de kroon zou steken”.

Na de val van de Berlijnse muur in 1989 probeerde de Franse president Francois Mitterand samen met de Britse premier Margaret Thatcher de Russische leiders zover te krijgen de Duitse eenwording te blokkeren. “Toen dat er niet in zat, stemde Mitterand in met de eenwording, op voorwaarde dat de Europese munt er snel zou komen.”

De jaren daarna was de Franse positie voortdurend anders dan die van Duitsland. Voor de Fransen stond één zaak voorop, proberen Duitsland in een gezamenlijke muntunie zo veel mogelijk onder controle te houden.

“De euro is, hoe je het ook bekijkt, een Frans-Duits project”, meldde het Nederlands Dagblad in 1998.

“Vrijwel de hele Europese geschiedenis is de laatste paar eeuwen vormgegeven door de rivaliteit of de samenwerking tussen Frankrijk en Duitsland. Ook de EU is daaruit ontstaan, eerst als de EGKS (Europese Gemeenschap van Kolen en Staal), later als de EEG (Europese Economische Gemeenschap), zo meldde dezelfde krant in augustus 2011.

Direct na de Tweede Wereldoorlog was de vijandschap tussen Frankrijk en Duitsland groot. Met name de Amerikanen zagen de Franse plannen van 1946 als een gevaarlijke vernedering van Duitsland. Deze Franse plannen (o.a. het Monnetplan) behelsden een snelle wederopbouw van de Franse economie ten koste van Duitsland. Bovendien zou er geen nieuwe Duitse staat mogen komen, alleen een federatie zodat Duitsland zwak en verdeeld zou blijven.

De Amerikanen eisten dus in ruil voor Marshallhulp dat er samenwerking moest komen in plaats van deze economische wurgconstructie. Uiteindelijk koos Frankrijk voor de Europese integratie.

In 1963 ondertekenden de Franse president Charles de Gaulle en de Duitse bondskanselier Konrad Adenauer het Elyséeverdrag, als teken van het einde van de eeuwenlange rivaliteit tussen de beide landen.

In 1969 toen het internationale systeem van vaste wisselkoersen rond de Amerikaanse dollar zijn langste tijd had gehad, ontstond het idee voor een Europese monetaire unie.

De Duitse bondskanselier Willy Brandt kwam als eerste met dit idee. Frankrijk wantrouwde Duitsland, omdat het vreesde dat de economische reus met zijn sterke munt heel Europa zou gaan domineren. Door de oliecrisis werd het hele project tijdelijk in de ijskast gezet.

In 1979 werd het Frans-Duits initiatief opnieuw leven ingeblazen. Giscard d’Estaing en Helmut Schmidt lanceerden daarop het Europees Muntstelsel (EMS), waarin uiteindelijk alles draaide om één munt, de D-mark, uitlopend op één Europese munt.

In 1988 volgde het idee van een Europese Centrale Bank. Een Frans voorstel wederom bedoeld om het machtige Duitsland te controleren, terwijl de Duitsers op zoek waren naar Franse steun voor de hereniging met Oost-Duitsland en plannen voor uitbreiding van de EU.

“De euro is hét wapen in een lange oorlog”, zo liet het NRC Handelsblad in januari 1999 al weten. Drie jaar voor de feitelijke invoering van de euro. Schrijver van dit informatieve achtergrondartikel was Paul Frentrop. Momenteel hoogleraar Corporate Governance and Capital Markets aan Nyenrode Business Universiteit, maar destijds econoom, ondernemer en columnist.

Volgens Frentrop is er, als het gaat om de Europese muntunie, sprake van een oorlog tussen Frankrijk en de Angelsaksen.

Frankrijk wil zich met de euro tegen het Amerikaanse imperium verzetten, net zoals “Napoleon het Britse imperium wilde bestrijden met zijn Continentale Stelsel. Oorlogen worden immers uitgevochten op basis van economische kracht. De euro is het wapen dat de Fransen kiezen. Want de dollar hebben zij onderkend als de zwakste plek van de Amerikaanse economie, aangezien de Amerikanen van nature meer consumeren dan ze produceren en dus constant dollars aan de rest van de wereld moeten zien te slijten. Zou dat niet meer lukken dan taant de Amerikaanse macht”.

Frentrop stelt dat de Fransen al sinds 1066 oorlog voeren met de Angelsaksen. In 1066 werd de hertog van Normandië de koning van Engeland. Maar hij koesterde ook aanspraken op Franse bodem. De Honderjarige Oorlog volgde. In de koloniale tijd vochten Britten en Fransen in bijna elk gebied van de wereld met elkaar.

“De rol van de Britten als aartsvijand werd na 1945 overgenomen door de Amerikanen, die als erfgenamen van het Britse wereldrijk de euvele moed hadden Frankrijk te bevrijden”.

Na de Tweede Wereldoorlog was Frankrijk in bijna elke belangrijke politieke kwestie de dwarsligger. Toen de gouden standaard in 1971 werd losgelaten zagen de Fransen hun kans schoon “om de hegemonie van de dollar te ondermijnen”.

Het bezoek van Mitterand aan Kohl moet volgens Frentrop gezien worden als een poging van Frankrijk om samen met Duitsland zich tegen de Amerikaanse financiële hegemonie te verzetten. Zo werd de Europese eenwording opnieuw leven ingeblazen. “Deze unificatie was puur gericht tegen de Angelsaksen en hun financiële en economische macht, en werd geflankeerd door nationaal Frans beleid”. Alles met het doel om niet meer voor financiële hulp bij de Amerikanen te hoeven aankloppen.

Frentrop: “De strategische hoofddoelstelling van de Fransen is om Europa op te bouwen tot een machtsblok dat het Amerikaanse imperium kan weerstaan. Daarbij is Duitse hulp onmisbaar.

De Duitsers konden die hulp niet geven zolang Russische troepen aan hun grens stonden. Maar nu die troepen weg zijn, wordt voortvarend het gezamenlijke arsenaal opgebouwd door bundeling van de Europese wapenfabrikanten. De belangrijkste strategische zet van de Fransen in hun oorlog met de Angelsaksen is de vorming van de Europese (munt) Unie. Die ene munt is nodig om de economische macht van Europa te bundelen en daarom begint die Europese Unie ook met één munt voordat alle fiscale, juridische en staatsrechtelijke belemmeringen voor een unie zijn geslecht. Een volgorde die iedere logica mist, als het Frans-Amerikaanse conflict buiten beschouwing wordt gelaten”.

Een fatale vergissing, een politieke illusie, zo blijkt nu, is de invoering van de euro geweest. Ondemocratisch besloten, er doorheen gedrukt met list, leugen en bedrog, zoveel is inmiddels wel duidelijk geworden de afgelopen jaren.

Arjo Klamer, hoogleraar economie aan de Erasmus Universiteit zei in augustus 2011 in het dagblad Trouw: “De misvatting is dat de invoering van de euro een louter financieel-economische aangelegenheid is. De euro is een politieke zaak”. Volgens hem heeft de invoering van de euro alles te maken met de politieke wens in Europa om het grote Duitsland, ontstaan na de val van de Muur, te beteugelen. Maar het lijkt er meer op dat Duitsland, ondanks alle Franse machinaties, uiteindelijk aan het langste eind trekt, als de euro tenminste niet definitief op de vuilnisbelt van de geschiedenis geworpen zal worden.

Trefwoorden:  ,