IQ belangrijke factor in de welvaart

‘De welvaart van een land is nauw gerelateerd aan het gemiddelde intelligentie quotiënt (IQ) van zijn bevolking’.
Een onderzoek dat de afgelopen jaren in 60 landen is gehouden, laat een duidelijke correlatie zien tussen het Bruto Nationaal Product (BNP) en een objectieve meting van de gemiddelde verstandelijke vermogens van de inwoners van dat land.

Een van de conclusies is dat internationale hulporganisaties meer moeten doen om de voeding van zwangere vrouwen en kinderen in de derde wereld te verbeteren. Dit is de belangrijkste determinant van intelligentie, ’zodoende kunnen ontwikkelingslanden uit hun armoede getrokken worden’.

Richard Lynn, emeritus hoogleraar in de psychologie van de universiteit van Ulster en verbonden aan de British Psychological Society, en Tatu Vanhanen, emeritus hoogleraar politieke wetenschappen van de universiteit van Tampere (Finland) en vader van de huidige Finse premier, deden uitgebreid onderzoek naar de non-verbale capaciteiten van een representatief deel van diverse bevolkingen.
Ze concludeerden dat mensen in landen rondom de Stille Oceaan het hoogste IQ hebben: Japan, Zuid-Korea, Taiwan, China, Hong Kong en Singapore, met een gemiddeld IQ van 105, terwijl wereldwijd de gemiddelde score 100 is.
Op de tweede plaats staan de bevolkingen van Europa, de Verenigde Staten, Canada, Australië en Nieuw Zeeland met een gemiddeld IQ van 100. In Zuid-Azië, Noord-Afrika en de meeste Latijns-Amerikaanse landen ligt het gemiddelde IQ onder het wereldgemiddelde: 85. In zwart-Afrika en de Caraïbische landen ligt het IQ bij 70.

De onderzoekers komen tot de conclusie dat ongeveer 58% van de verschillen in nationale welvaart van de onderzochte landen, kan worden verklaard door verschil in intelligentie. Elk gemiddeld IQ scorepunt vertaalde zich in ongeveer 750 US dollar extra, per hoofd gemeten in het BNP.

Mensen en bevolkingsgroepen met een hoge intelligentie kunnen zich makkelijker complexe productiemethoden eigen maken en zijn beter ingespeeld op de vraag op de markt.
Zij zijn sneller geneigd efficiënte openbare diensten uit de grond te stampen, zoals transportmiddelen, telecommunicatie en een goede economische infrastructuur.
Ook de politieke leiders van deze landen zijn intelligenter dan andere politieke leiders van landen met een lager IQ.
De intelligente politieke leiders gaan beter met de economie om dan minder intelligente leiders.

Landen met een hoog IQ, China en Rusland en Oost-Europese landen, maar met een laag BNP, hebben een geschiedenis gekend  van socialistische systemen en vergaande economische roofbouw. Dat was de reden waarom de welvaart geremd werd. Maar deze landen, net als China, kunnen zich ‘binnen vijftig jaar met Europa en de Verenigde Staten meten en met name China zal de nieuwe economische en militaire supermacht van de wereld worden’.

Ook de olie in het Midden-Oosten en de daaruit voortvloeiende economische ontwikkeling was niet alleen een oorzaak voor de stijging van het BNP, maar ook oorzaak voor de stijging van het IQ van de landen in deze regio.
Gemiddelde IQ metingen zijn in de geïndustrialiseerde landen in één generatie met 25 punten gestegen. ‘Er is geen twijfel dat slechte voeding van invloed is op het IQ’, volgens professor Flynn.
Zelfs in economisch ontwikkelde landen komen mensen voor die te lijden hebben onder slechte voeding. In Groot-Brittannië krijgt 10% van alle kinderen slechte voeding. ‘Als zij in hun jeugd bijgevoed worden, stijgt hun IQ met 5 punten’.
In ontwikkelingslanden waar ondervoeding dramatischer is, zo blijkt uit onderzoek, stijgt het IQ met 10 tot 15 punten als gevolg van betere voeding. De onderzoekers menen tevens dat computervaardigheden het IQ laten stijgen. Toename van computervaardigheden hangt in het algemeen samen met economische ontwikkeling. De hoogte van het IQ is dus de belangrijkste factor achter de nationale welvaart van een land

Veel kritiek is al geweest op het onderzoek van Lynn en Vanhanen. Kritiek is ook dat IQ tests cultureel bepaald zijn, maar dan nog blijkt uit de omvang van het onderzoek dat andere ‘cultureel bepaalde’ IQ tests hoogstwaarschijnlijk dezelfde resultaten zouden laten zien.

Het onderzoek is ook controversieel, beschuldigingen van raciale vooringenomenheid waren na het verschijnen van het rapport niet van de lucht. Ook ‘The Bell Curve’, een boek uit 1994, geschreven door Richard Herrnstein en Charles Murray, werd na verschijnen de grond ingeboord.
Het onderzoek toonde aan dat zwarten die in westerse landen woonden gemiddeld 15 punten minder scoorden dan het gemiddelde IQ bij blanken, maar ook dat Askenazische joden die als ‘cognitieve elite’ in westerse landen wonen, een gemiddeld IQ van 115 hadden. Dat onderzoek was toen politiek niet correct, maar in het licht van de nieuwe onderzoekingen van Lynn en Vanhanen misschien wel heel acceptabel.

Trefwoorden:  ,