Ministriële verantwoordelijkheid vormt een pilaar van censuur rond Oranjes

Royaltyverslaggevers en leden van het koningshuis zitten in hetzelfde schuitje. Ze kunnen zich nooit vrijelijk uitspreken. Om dit probleem op te lossen moet de ministeriële verantwoordelijkheid losgelaten worden. Er is nu sprake van een ambivalente verhouding tussen de monarchie en de media.
Voor alles wat een lid van het koninklijk huis zegt of doet is de facto de premier verantwoordelijk.

Om deze ‘ministeriële verantwoordelijkheid’ in goede banen te leiden is er de Rijksvoorlichtingsdienst (RVD). De RVD is belast met de woordvoering voor de premier, de ministerraad en het koninklijk huis. De RVD kan niet altijd alle vragen van de pers volledig of naar waarheid beantwoorden.
“Ook probeert de RVD zo veel mogelijk voor het koningshuis onwelgevallige mediaberichtgeving tegen te gaan. Leden van het koningshuis zelf worden vanwege de ministeriële verantwoordelijkheid beperkt in hun uitingsvrijheid. Zij mogen geen controversiële politieke uitspraken doen omdat de ministers hier verantwoordelijk voor zijn. Ook de media onthouden zich vaak van onwelgevallige berichtgeving. Er is dus eigenlijk sprake van een mechanisme van dubbele censuur: van journalisten aan de ene kant en leden van het koninklijk huis aan de andere kant. Hierdoor laat de mediaberichtgeving over de Oranjes vaak te wensen over.”

Het probleem van de ministeriële verantwoordelijkheid wordt recentelijk besproken in het blad ‘De Republikein, tijdschrift voor de ware democraat’.
Het probleem van de berichtgeving schijnt niet alleen de Oranjes dwars te zitten, maar ook de journalisten. De zg. mediacode uit 2005 beperkt de berichtgeving sterk. De meeste media onderwerpen zich hieraan. Volgens deze overeenkomst worden door de RVD ontmoetingen georganiseerd tussen de media en het koninklijk huis, en moeten de media in ruil daarvoor de Oranjes omwille van hun privacy verder met rust laten. “Het gevolg van deze merkwaardige keten van relaties tussen het koningshuis, de RVD, de in 2002 opgerichte VVKH (Vereniging Verslaggevers Koninklijk Huis) en de pers is dat de berichtgeving over het koninklijk huis sterk gecensureerd wordt.

Maartje van Weegen, hofcorrespondente van de Oranjes: “Hoewel je probeert op een normale kritische manier te werken, weet iedereen dat deze vorm van journalistiek andere regels en wetten kent. Het is geen gewone familie. Dat brengt beperkingen met zich mee. Helemaal vrij ben ik niet, de ministeriële verantwoordelijkheid geldt altijd.”

Volgens Charles Huijskens, communicatieadviseur, heeft verslaggeving van het koninklijk huis weinig te maken met journalistiek. “De RVD ziet journalisten alleen als een middel om het koningshuis in stand te houden. Het is te vergelijken met een misdienaar die de paus interviewt.” Dat is altijd al zo geweest. Huijskens ziet “niet veel verbeteringen ten opzichte van het verleden.”

Volgens Daniële Hooghiemstra, oud-redacteur van het NRC Handelsblad, komt het belangrijke nieuws over het koningshuis nooit van de echte royaltyredacteuren. “Bij de RVD zit je als verslaggever van het koninklijk huis op een doodlopende weg. De RVD heeft namelijk maar één belang: zorgen dat zo weinig mogelijk in de krant komt.”
Maar er zijn natuurlijk wel veel verbeteringen in vergelijking met vroeger, toen het koningshuis qua berichtgeving nog potdicht zat. Schandalen werden toen pas jaren later bekend.

Koningshuisdeskundige Fred Lammers wijt deze omslag aan het feit dat de Nederlandse gezagsgetrouwheid is verdwenen. Bovendien is de sensatiezucht bij burgers gegroeid. “Leden van koninklijke familie worden steeds meer gezien als filmsterren.”

Volgens Thieu Vaessen, verslaggever van HP/De Tijd zijn leden van het koninklijk huis veel vrijer dan ons wordt voorgehouden. “Ze zitten helemaal niet in een gouden kooi.” (…) “Het spanningsveld tussen democratie en monarchie maakt de verslaggeving over het koningshuis nu juist zo aardig.” Vaessen verwacht dat de constitutionele monarchie steeds meer zal veranderen in een ceremoniële monarchie. “De constitutionele monarchie is in onze tijd eigenlijk iets exotisch geworden.”

Het leerstuk van ministeriële verantwoordelijkheid is eigenlijk een relict uit het verre verleden. Het is uitgedacht door Jan Rudolf Thorbecke die dit (in opdracht van koning Willem II) bij de grondwetsherziening van 1848 regelde. De koning was vanaf die datum politiek onschendbaar.
In de praktijk bleek dat diverse leden boven de wet kwamen te staan. Want in de grondwet staat het duidelijk: De Koning is onschendbaar, de ministers zijn verantwoordelijk, (art.42).
Anders gezegd: de koning of koningin moet boven de partijen tronen en zich niet met politiek bemoeien. Maar dat doet ze achter de schermen juist nu wel. Ze moet onpartijdig zijn, maar dat is ze in feite niet.
Voorbeeld: Koningin Juliana liet tijdens de kabinetsformatie in de jaren zeventig duidelijk een voorkeur voor de PvdA blijken. Politici moeten niet in discussie gaan met de vorst, maar dat gebeurt achter de schermen wel. Als bij een kabinetscrisis de minister-president het ontslag van zijn kabinet aan koningin Beatrix gaat aanbieden, kan zij dit ontslag weigeren. Zij kan namelijk partij kiezen en dat doet ze ook. Zij bemoeit zich dus wel met de politiek, omdat zij lid is van de regering.

In 1999 werd Jan Hoedeman, redacteur van de Volkskrant, bedreigd door een topambtenaar van Algemene Zaken omdat hij in het begin van dat jaar een artikel schreef over een gesprek dat Beatrix voerde met een aantal Kamerleden. Tijdens dit gesprek sprak zij zich uit tegen een referendum over de gekozen burgemeester. Dat was niet naar Beatrix’ wens, want de burgemeester wordt nu eenmaal door de koningin benoemd.
Hoedeman werd beschuldigd dat hij ongeschreven regels had overtreden. Hij kreeg als antwoord “Je begrijpt dat dit bijzonder slecht is voor je carrière?” En zo zijn er meerdere incidenten bekend.

Het leerstuk van de ministeriële verantwoordelijkheid schept geen duidelijkheid over wat de ‘informele macht’ van het staatshoofd wordt genoemd. Maar die ‘informele macht’ is er wel. Oud-premier van Agt erkende ooit ruiterlijk dat vrijwel alle meningsverschillen met de koningin in zijn nadeel zijn beslecht.

De Republikein: “Hoe kan de dubbele censuur van journalisten en leden van het koninklijk huis nu ongedaan worden gemaakt? Voor de oplossing moeten we terug naar de bron van het probleem: de in 1848 ingestelde ministeriële verantwoordelijkheid. Wanneer het koningshuis en de politiek van elkaar worden losgekoppeld, kunnen de muilkorven af. De ministers zijn dan niet meer verantwoordelijk voor wat de Oranjes zeggen en uitspoken. Een loskoppeling van koningshuis en ministeriële verantwoordelijkheid is alleen mogelijk als het huidige koningschap wordt afgeschaft of vervangen wordt door een ceremonieel koningschap.”
Historicus Lambert Giebels: “In een volwassen parlementaire democratie moet de koning geen deel uitmaken van de regering, laat staan regeringshoofd zijn. In de meeste monarchieën neemt de koning geen deel aan de regering. (…). Bij de naderende troonopvolging zou er een staatscommissie benoemd moeten worden en een grondwetsherziening doorgevoerd moeten worden. Daarom zou er een brede discussie moeten komen over de grondwet. Die is voor het laatst in 1983 herzien. De politiek moet daarvoor wel het initiatief nemen maar zij durven dit onderwerp niet aan te snijden uit angst voor electoraal verlies.”
Aldus ‘De Republikein’.