Mythe en legendevorming rond profeet Mohammed

“Er is niemand die weet welke verhalen over Mohammed waar zijn, en welke verhalen als vrome fantasie of preken in verhaalvorm beschouwd kunnen worden. Misschien dat het er over een paar honderd jaar anders uitziet en er hierover meer zekerheid te geven is, de ene of de andere kant uit, dankzij het werk van archeologen van wie de ouders nog geboren moeten worden. Maar op dit moment, in de eenentwintigste eeuw, is die zekerheid er niet. Er zijn wel verhalen waar sommigen geen twijfel over hebben – maar dat zegt meer over die ‘sommigen’ dan over die verhalen.”

De Amsterdamse hoogleraar prof. dr. Hans Jansen zet in zijn boek ‘de historische Mohammed’, dat al weer enige tijd geleden op de markt verschenen is, grote vraagtekens bij de betrouwbaarheid en de geloofwaardigheid van de verhalen die tijdens en vooral na het leven van Mohammed zijn ontstaan.
Jansen zegt nergens expliciet dat alle gebeurtenissen niet hebben plaatsgevonden, hij houdt alleen een grote slag om de arm. Verdenkingen dat een verhaal compleet verzonnen is, is geen bewijs van bedrog. Pas als er overtuigend bewijs geleverd kan worden dat een gebeurtenis nooit heeft plaatsgevonden, pas dan is er sprake van mythe- en legendevorming en bedrog. En dat bewijs, belastend of ontlastend is er helaas (nog) niet. Of is er misschien wel, maar is veilig weggestopt in archiefkluizen van islamitische universiteiten en onderzoeksinstellingen in de moslimwereld.
Zoals bekend laat de islamitische geestelijkheid geen fundamenteel kritisch onderzoek toe naar de geestelijke en historische bronnen van het eigen geloof.
Jansen beweert wel dat de meeste verdenkingen omtrent verhalen waarvan het waarheidsgehalte ver onder nul staat, wel terecht zijn. “Voor wie durft te geloven dat die verhalen op waarheid berusten, wordt het leven natuurlijk wel doorzichtiger, maar niet makkelijker, omdat die verhalen eisen stellen aan wie ze gelooft.(…) Wie weigert het overgeleverde voorbeeld van Mohammed te volgen, wijst daarmee in principe de islam af. (…) Godsdienstsociologen hebben vastgesteld dat zo goed als iedereen zich in zulke kwesties laat leiden door het voorbeeld van zijn vrienden en familie.”

Hoe zijn we aan die kennis over Mohammed gekomen? Jansen baseert zich op de twee belangrijkste werken die kort na Mohammeds dood  zijn geschreven.
De eerste is ‘De levensgang van de profeet’, geschreven door Ibn Ishaq (704-767), de tweede is van Ibn Hisham (overleden in 833), geen biografie, maar een bewerking van het eerste boek.
In 1864 is het werk van Ibn Hisham in het Duits vertaald en in 1955 in het Engels door de Britse arabist Alfred Guillaume. De meeste westerse overzichten van het leven van Mohammed zijn op deze twee boeken gebaseerd.

Vraag is nu wat hebben wij aan deze werken. Geven zij een betrouwbaar beeld van het leven van Mohammed en zijn denken? Jansen komt tot de conclusie dat we eigenlijk bitter weinig weten over de stichter van de islam.
“Er zijn tot op heden geen archiefstukken of inscripties opgedoken die ons iets over het leven van Mohammed kunnen vertellen. Een levensbeschrijving die niet op archiefstukken of vergelijkbare harde bronnen gebaseerd is, kan nooit een wetenschappelijke biografie zijn. Een mooi verhaal heeft daarentegen geen archiefstukken of inscripties nodig. Alles wat we over Mohammed weten, zijn mooie verhalen. We moeten het voor het leven van Mohammed bovendien doen met wat de moslims zelf daarover overleveren.”
Volgens Jansen is er weinig optimisme om te geloven dat de huidige regiems in het Midden-Oosten toestemming geven om wetenschappelijke opgravingen uit te voeren naar de tijd van de vroege islam. Alles ten aanzien van de vroege islam is “speculatief, voorlopig en onzeker.”
Ook heeft de moslimse overlevering “in de loop van de tijd in stijgende mate de neiging ontwikkeld om Mohammed zo gunstig mogelijk voor te stellen. Verhalen die iets ongunstigs over Mohammed vertellen, zijn daarom goede kandidaten om oud of verzonnen te zijn.” Mohammed wordt in alle gevallen gezien als een “wonderdoener” en een “buitengewoon en bijzonder feilloos mens.”
Jansen meent dat het zo goed als zeker is dat in ieder geval “de chronologie van de traditionele levensbeschrijving van Mohammed niet klopt.”

De westerse (kritisch-logische) manier van denken en wetenschap bedrijven staat mijlenver van de Arabische cultuur en zijn denken. Verhalen over Mohammed, die ruim 1300 jaar geleden zijn ontstaan, kunnen dus niet los gezien worden van de totaal andere cultuur waarin ze zijn ontsproten.  Dat kleurt de overlevering natuurlijk enorm.
In de islamitische overlevering bestaat er een volledig andere manier van het beleven van historische gebeurtenissen en het overbrengen daarvan op de volgende generatie. Tussen de postmoderne manier waarop westerse geleerden naar de islam kijken en de wijze waarop moslims naar hun eigen islamitische geschiedenis kijken, ligt een onoverbrugbare kloof.
Kern van de zaak is dus wel om vast te houden wat er feitelijk waar is over Mohammeds leven.

Jansen gaat in zijn boek uitvoerig in op de verhalen die in Medina over Mohammed zijn ontstaan. Hij komt regelmatig tot de conclusie dat veel gebeurtenissen pas na de dood van Mohammed geconstrueerd zijn, dus latere toevoegingen die het verhaal in de oer-Koran moesten ondersteunen. Ook na de dood van Mohammed is er nog aan de Koran gewerkt en gesleuteld. Er zijn wetenschappers die beweren dat er zelfs diverse verschillende kopieën van de Koran in omloop waren, op onderdelen elkaar tegensprekend. De hele traditie over Mohammed is “niet in één klap kant-en-klaar door vertellers in het leven geroepen.”

Maar wát we hebben, de biografie van Ibn Ishaq en de bewerking van Ibn Hashim, nodigen nu niet bepaald uit tot grotere geloofwaardigheid van feiten met betrekking tot Mohammed en de ontstaansgeschiedenis van de islam.
Ibn Ishaq laat veel open als het gaat om de beginperiode van de islam. Jansen: “Als dit alles is wat we over de beginperiode in Medina te weten kunnen komen, ziet het er voor de moderne wetenschap somber uit. Niet alleen weten we niet precies wat er in Mekka gebeurd is, maar ook heeft zelfs de traditionele versie van de islamitische geschiedenis kennelijk geen helder beeld van hoe de islam in Medina is begonnen.”

Hoe Mohammed dacht over de joden en christenen, daarvan staat wel iets in Koran, maar de houding van de vroege islam ten opzichte van de christenen en met name de joden is voornamelijk een constructie van Ibn Ishaq, die er volgens Jansen racistische denkbeelden op na hield.
Met de chronologie van de verhalen is door Ishaq gemanipuleerd.
Terecht merkt Jansen op dat een schrijver, die een obsessie heeft met de chronologie, een signaal kan zijn “dat we te doen hebben met een schrijver die iets te verkondigen heeft, en niet met een schrijver die alleen maar probeert zo goed als hij kan te rapporteren.”
Jansen noemt vele verhalen die rond gaan en waarin wonderen verteld worden. Het zijn verhalen “die het geloof van de gelovigen versterkt, maar ook het ongeloof van de ongelovigen.” “Is iemand die zulke verhalen vertelt wel een historicus?”, zo vraagt hij zich af.

Opvallend is ook dat de joden in Arabië, naarmate de Koran steeds meer vorm krijgt en zij Mohammed als profeet van Allah afwijzen, steeds vijandiger tegemoet worden getreden.
Ibn Ishaq laat een verhaal volgen, waar, in diverse twisten en oorlogjes die de moslims met hun buren voerden, de joden ongenadig op hun falie kregen tot aan openbare onthoofdingen toe.
Maar nergens worden in de joodse traditie zulke gebeurtenissen expliciet verteld. “Het is merkwaardig dat er in de joodse traditie geen spoor van de hele ‘affaire’ terug te vinden is. Als het allemaal, desnoods deels, ‘echt’ gebeurd is, waarom zou er dan geen onafhankelijke herinnering aan deze gebeurtenissen bestaan in de joodse traditie?” Ook inzake de verbanning van de joden uit twee steden en de uitmoording van joden in een andere stad moet men zich afvragen of dit inderdaad gebeurd is. “Er zou daar toch een echo van gehoord moeten worden in joodse geschriften van welke aard ook. Maar er is niets, geen inscriptie, geen papyrus, geen opmerking in welk boek ook. Althans, tot op heden is er niets opgedoken.”
De joodse traditie, die toch de herinnering levend houd aan degenen die vermoord zijn, louter en alleen omdat ze jood waren, bewaart zelf “geen enkele herinnering aan deze moordpartij. Het kan, maar het is raar.”

Dat Mohammed een steeds grotere hekel kreeg aan de joden is een feit. Volgens Jansen is de historische werkelijkheid van al deze geschiedenissen toch “door de nevel van de tijd (op zijn minst) moeilijk zichtbaar geworden. Maar het gaat bij deze verhalen natuurlijk allereerst om de lessen die eruit te trekken zijn, niet om wat er wel of niet echt gebeurd is.”
Latere Mohammed biografieën gingen nogal omzichtig om met de ‘anti-joodse’ uitspraken van Mohammed, afhankelijk van hun eigen voor- dan wel afkeur ten opzichte van Mohammed.
Moderne bewerkingen zijn nogal eens gevoelig voor de politieke wind van het moment.
“Het geeft echt geen pas om de ene keer een uitspraak van de profeet als onecht te beschouwen omdat die niet in ons moderne straatje past, en de andere keer geloof te hechten aan de echtheid ervan wanneer het enige criterium voor echt en onecht de eigen intuïtie is.”
Anderzijds blijkt Ibn Ishaq op de hoogte te zijn van bepaalde feiten, hetgeen eenvoudigweg  onmogelijk is. Hier heeft het verhaal duidelijk een politieke of moraliserende strekking.

Ook Ibn Hisham gaat op zijn eigen manier aan de slag. Hij laat feiten weg, komt met nieuwe feiten aanzetten, niet in een historisch kader, maar als belerende instructie om als beter moslim te leven. Veel verhalen hebben een dubbele bodem, die wetenschappers in het westen niet altijd doorhebben.
De verslagen van de oorlogen en oorlogjes die door Mohammed en de zijnen zijn gevoerd, zijn achteraf mooier gemaakt dan ze in werkelijkheid waren. Net zoals de houding tegenover de joden. Jansen: “Maar sceptische westerse lezers van zo’n verhaal zullen zich zoals altijd weer afvragen wat er eerder was: de koranverzen (die moeilijk te interpreteren zijn) of het verhaal (dat de koranverzen schitterend interpreteert).”
Beide schrijvers, Ibn Ishaq en Ibn Hisham hebben de basis gelegd voor de overtuiging dat Mohammed een profeet was die daadwerkelijk was gezonden door Allah. Latere biografen hebben Mohammed goddelijker willen maken dan hij in werkelijkheid was.
De expansie van de islam en de verovering van het hele Midden-Oosten en Noord-Afrika was zogezegd voorbeschikt door Allah, het was geen toeval. Dat kon alleen een goddelijke gezant volbrengen.
“Wie Mohammed was hangt wel heel erg af van welke verteller er aan het woord is. Elk oordeel over Mohammed is in de laatste instantie een religieus oordeel.”

Hans Jansen: De historische Mohammed – de verhalen uit Medina, Uitg. De Arbeiderspers, Amsterdam, Antwerpen, 2007, 312 pag.

Trefwoorden:  ,