Vervrouwelijking  op Universiteiten

Waarom zou een zichzelf respecterende jongen  één van de steeds meer vervrouwelijkende universiteiten in Amerika willen bezoeken? De meeste van deze onderwijsinstellingen hebben de laatste veertig jaar met horten en stoten een donzige, roze speelhoek voor de studie van het feminisme  en propaganda voor “haar verhaal” gevormd  waarover colleges gegeven worden temidden van een groene drab van Moeder Aarde-milieu-activisme en een koudwatervrees voor industrie.

Zij brengen geregeld modieuze prullen als  De Vagina-monologen onder de aandacht, terwijl zij duizenden sportclubs van mannen offeren op het altaar van Titel IX. Zij halen blij met open armen de pogingen in  om centra voor homoseksuele studenten op te zetten, maar  weren de Corpsen voor de Opleiding van Reserve-Officieren en andere militaire groepen van de universiteiten. Terwijl zij strijd voeren om  de weinige vrouwen die bevoegd zijn vaste aanstellingen te geven voor wis- en natuurkunde, beknotten zij de mogelijkheden voor specifiek mannelijke studierichtingen als techniek en werkbouwkunde.

Dit verklaart wellicht dat het percentage van mannen  die een universitaire studie volgen drastisch is gedaald. Nu bestaat minder dan 43 procent van de populatie van de universiteiten uit mannen en studeert slechts 41 procent af. In de rest van het Westen is het niet anders, hetgeen inhoudt dat de opkomst van een klasse van ongeschoolde mannen niet alleen een Amerikaans probleem is. In een wereld waar mannelijk talent in wiskunde en techniek in belangrijke mate bijdraagt tot rijkdom en macht, zijn deze getallen wel verontrustend.

Hoe onrustbarend ook, dit patroon is wel verklaarbaar. Dat jongens op school slecht presteren wordt hoofdzakelijk toegeschreven aan de gezinnen waar de vader ontbreekt. Van de belangrijke industriestaten worden de Verenigde Staten  slechts door Zweden, Noorwegen en Denemarken overtroffen, wat betreft het overheersend vrouwelijk element in het hoger onderwijs. In deze Scandinavische landen komen ook de meeste vrouwelijke gezinshoofden voor. In heel Europa vertoont alleen Zwitserland een belangrijk lager niveau van vaderloosheid; daar was in 2002 het aantal onwettig geboren babies 11 procent van  het geheel tegenover 32 procent in de VS en 42 procent in Zweden. Geen wonder dat in Zwitserland het mannelijk element in het hoger onderwijs overheerst; 60 procent van de studenten zijn mannen.

De ongunstige gevolgen van vaderloze gezinnen behoeven geen verrassing te wekken. In de hele wereld zijn verlaten moeders altijd al te kort geschoten in  de opvoeding van jongens.
Bezien wij de toestand van de kant van de politie en de staat, dan zien wij een directe relatie tussen  de vermindering van het aantal mannen in het hoger onderwijs en het feit dat 93 procent van de gedetineerden in Amerika uit mannen bestaat. Zoals Bill Bennet scherp opgemerkt heeft, vormen zwarten uit vaderloze huishoudens – 80 procent van de bevolking in de binnenstad –  verreweg de meerderheid in de gevangenis.  Het Ministerie van Justitie schat dat zeker 32 procent van alle mannelijke zwarten in de gevangenis terecht zullen komen, tegenover 6 procent van de blanke mannen. Meer dan een derde van de Amerikaanse zwarte mannen tussen 17 en 35 jaar oud zitten nu in de gevangenis, zijn met proefverlof of voortvluchtig. In Scandinavische landen heeft de politie het eveneens druk met onwettig afwezigen. Er zitten daar veel minder mensen in de gevangenis, maar anders dan in de VS vertonen de misdaadcijfers nog steeds een stijgende lijn. Van de landen van Europa staat Zweden bovenaan met een zes- tot tienvoudige toename van de wederrechtelijke toe-eigening van eigendommen en aanrandingen sinds de Zeventiger Jaren van de vorige eeuw.
Het uiteenvallen van gezinnen  leidt ertoe dat de steeds uitdijende politiemacht haar netwerken steeds meer uitbreidt en veel meer mensen strikt dan er in de gevangenissen zitten.  Ordebewaarders in echtscheidingsrechtbanken, welzijnsdiensten, jeugdzorginstellingen en instellingen van toezicht op kindermishandeling maken massaal gebruik van de computer om de banen en de bewegingen  van zogenaamde klaplopervaders of biologische vaders in het vizier te houden. Zij houden ongehuwde of gescheiden vaders, om de woorden van Bryce Christensen te gebruiken,  als “bijna-criminelen, voortdurend onder disciplinair toezicht.”
Zoals Margaret Mead verklaarde in haar beroemd geworden  woorden, is het belangrijkste sociale vraagstuk in elke samenleving, hoe we moeten omgaan met de agressieve en onder elkaar wedijverende mannen. De traditionele oplossing is het huwelijk, dat de mannen voor de toekomst inbindt via hun kinderen en hun agressie kanaliseert, zodat zij hun concurrentiedrang in hun opleiding en op de werkvloer aanwenden voor het levensonderhoud van hun gezinnen. In volledige gezinnen, zijn de vader en andere volwassenen, als leraren en mentoren identificatiefiguren, in plaats van een groep leeftijdsgenoten en de straat. Doorgaans zijn zij bereid de opvoedingsmaatregelen te accepteren die vereist zijn bij  het bereiken van een hogere positie. Zelfs tegenwoordig in volledige gezinnen in de middenklasse en hoger, waar vaders de belangrijkste kostwinners zijn, gaan meer jongens dan meisjes naar de universiteit.

De geslachtelijke wanverhouding  in het aantal studenten op Amerikaanse universiteiten weerspiegelt een toestand waarover in antropologische studies veel geschreven wordt. Het gezin bestaande uit man, vrouw en kind(eren) moet altijd opboksen tegen polygynie (een woord afgeleid van het Grieks voor “veel vrouwen”.  Om de machtigste mannen (naar welke maatstaf ook gemeten) in staat te stellen de vruchtbare jaren van verscheidene jonge vrouwen te beheersen, kan polygynie aangewend worden met harems and bijvrouwen, of  over de jaren uitgesmeerd worden met een reeks echtscheidingen en nieuwe huwelijken. Bij echtscheiding in een monogaam huwelijk blijft de verlaten vrouw achter om de opvoedingsstrijd  met hun zoons te voeren en dan alleen oud te worden.

Zoals de Zweedse econoom Assar Lindbeck in de Tachtiger Jaren van de vorige eeuw naar voren bracht, wordt het patroon van de afbraak van het gezinsverband versterkt door de excessen van de welzijnsstaat. “Progressieve” belastingsystemen die scheefgetrokken zijn om de zogenaamde rijken  (de 20 procent van de bevolking met de hoogste inkomens) moeten wel het grootste effect hebben op volledige gezinnen met kinderen die het leeuwenaandeel doen van het productieve werk  van de samenleving. Recente gegevens tonen aan dat de toplaag van de huishoudens bestaande uit de hoogste 20 procent 33 procent van de uren waarin gewerkt wordt voor haar rekening neemt, 50 procent van al het inkomen verdient en 68 procent van de federale inkomsten- en loonbelasting betaalt, alles naast de opvoeding van het merendeel van de jongens die hoger onderwijs volgen. Door de progressieve schaal van de belastingen die door deze gezinnen betaald worden, worden programma’s en instellingen voor steun aan kinderen, dagopvang, quotering van het aantal banen, positieve discriminatie van minderheden, echtscheidingshoven, pleeggezinnen, abortusklinieken, verzorgingstehuizen, and gezondheidszorg van de wieg tot het graf bekostigd, die alle te kort doen aan de unieke waarde van de persoonlijke zorg van gezinnen waarvoor de vader de kost verdient. Op deze wijze scheppen staatsvoorzieningen voor welzijnszorg een spiraal van gezinsvijandige respons in het sociale beleid, door gezinnen prikkels te onthouden om bij elkaar te blijven. Zij creëren daardoor wat Allan Carlson  genoemd heeft een subsidie voor “fatsoenlijk levensonderhoud” voor ongehuwde carrièrejagers en gebroken gezinnen.

Toch blijven, ondanks de door de staat gestimuleerde afbraak van het volledige gezin en de  daaruit voorkomende schaarste aan jonge mannen bij het hoger onderwijs in de hele wereld mannen de meerderheid van de studenten in voortgezette wiskunde (en wis-en natuurkunde en techniek) uitmaken. Dit nieuws is misschien aanleiding voor de dames die  op Harvard en MIT een vaste plaats bemachtigd hebben in tranen uit te barsten  en advocaten op te roepen om God ter verantwoording te roepen, maar er is overstelpend bewijs  dat er een biologische oorzaak is van de mannelijke superioriteit in de wiskunde. Jongens zijn beter in wiskunde en hoe moeilijker wiskunde wordt, des te groter de mannelijke superioriteit blijkt. In de  hele geschiedenis van de mensheid hebben vrouwelijke wiskundigen en technici nauwelijks enige bijdrage geleverd in hun vakgebied.. Het ontbreken van jongens in de universiteiten betekent niet dat vrouwen plotseling de meeste toonaangevende software programma’s gaan schrijven en microchips gaan ontwerpen voor onze raketten voor de defensie. De vervrouwelijking van de universiteiten berooft de economie simpelweg van de technische vaardigheden en wedijverende energie van nieuwe generaties mannen.

Als reactie gaat de machtige lobby van voorstanders van polygamie die de verantwoordelijkheid dragen in veel mondiale organisaties  de wereld af om mannelijk talent aan te trekken, waar dat ook te vinden is. Doorgaans vinden ze dat op Aziatische universiteiten, zoals de sterk op prestatie georiënteerde universiteiten in India, waar tenminste 90 procent van de studenten mannen zijn. De zichtbare resultaten hiervan is het aantrekken en de immigratie van hooggeschoolde technici. Maar het grondvlak wordt gevoed door  het uiteenvallen van gezinnen, de vervrouwelijking van Amerikaanse universiteiten en de uitocht van jongens uit het hoger onderwijs.

– National Reviw, 31 december 2005, blz. 25, 26.

Trefwoorden: