Het rapport ‘Espionage Against the United States by American Citizens 1947-2001’ beschrijft de belangrijkste spionagegevallen van na de Tweede Wereldoorlog. De nadruk ligt op Amerikaanse burgers die verantwoordelijk waren voor spionage. Het rapport is samengesteld door PERSEREC, het Personnel Security Research Center van het Amerikaanse ministerie van Defensie.

Gebruikmakend van een database met 150 gevallen, heeft het gerenommeerde instituut in dit boeiende verslag een aantal gemeenschappelijke kenmerken onderzocht waarin spionnen met elkaar overeenkomen. Je kunt het rapport lezen als een soort handboek voor contraspionage. Lopende onderzoeken van de CIA en FBI zijn niet opgenomen.

Het onderzoek baseert zich op open bronnen en gaat uitvoerig in op de vraag wat voor soort mensen er voor vijandige mogendheden hebben gespioneerd.
In dit rapport gaat het uitsluitend om de voormalige Sovjetunie en het huidige Rusland. Er wordt een aantal van zeventien andere landen genoemd die Amerikaanse burgers tot spionage hebben aangezet, maar om welke landen het precies gaat wordt niet vermeldt.

Wat waren dat voor mensen die spioneerden tegen hun eigen land? Het komt allemaal ter sprake: hun sociaal-maatschappelijke status en hun regionale herkomst, de manier waarop zij gerekruteerd werden, vrijwillig of onder dwang, het soort informatie dat zij aan de tegenstander doorgaven, hoe lang hun activiteiten duurde, vanaf de feitelijke rekrutering tot hun arrestatie, de motivatie van de spionnen, hoe zij te werk gingen, alleen of samen met iemand anders en om wat voor soort informatie het ging.

Vanaf de Oktoberrevolutie tot de Tweede Wereldoorlog zijn er enkele honderden Amerikaanse burgers opgepakt wegens spionage voor de Sovjetunie.
Tijdens de Koude Oorlog nam het aantal gevallen sterk af, om in de zestiger en zeventiger en met name tachtiger jaren weer sterk toe te nemen. In de meeste gevallen ging het om Amerikaanse militairen en burgers die door militaire spionnen waren gerekruteerd.
De Sovjetunie wilde immers alles weten over het Amerikaanse leger en zijn gevechtskracht.

Zo zijn er een aantal conclusies te trekken: het overgrote deel van de spionnen waren blanke mannen onder de dertig jaar.
83% van de 150 opgepakte spionnen waren autochtone Amerikaanse burgers, 17% was genaturaliseerd. Van deze laatste categorie, waren rond de twaalf personen gerekruteerd door een vreemde mogendheid omdat zij familie, zakenbanden of andere connecties hadden met het geboorteland. Deze categorie is ook het meest gevoelig voor rekruteringspogingen, terwijl autochtone Amerikaanse burgers beduidend minder werden gerekruteerd en veel meer vrijwillig de tegenstander de helpende hand hebben geboden.
Over het algemeen zijn spionnen goed opgeleid. Militaire spionnen komen vaak uit de hogere rangen van het leger. In 39 gevallen werd er informatie van het Pentagon verraden.
Een kwart van alle spionnen werd gepakt alvorens ze informatie gaven aan een vreemde mogendheid. Slechts een vijfde van alle gevallen duurde vijf jaar of langer.
Ook blijkt dat als vrouwen gaan spioneren, dit zij niet alleen doen. In bijna alle gevallen spioneerden vrouwen samen met hun man.

Opmerkelijk is dat een vierde van alle spionnen in een persoonlijke crisis zat: een scheiding, een sterfgeval, een alcoholprobleem of een drugsverslaving. In 37% van deze gevallen waren alcohol en drugs beide verantwoordelijk.

Drie vierde van alle spionage gevallen speelde zich af in de jaren tachtig. De jaren tachtig waren desondanks het ‘tijdperk van de mislukte spion’, zo blijkt uit deze studie.

De gemiddelde spion uit de jaren tachtig en negentig is beter opgeleid en ouder dan de gemiddelde spion uit de jaren vijftig. De spion uit de jaren tachtig en negentig had veel meer te maken met veiligheidsmaatregelen van zijn werkgever. Het feit dat spionnen in de jaren tachtig minder succesvol waren dan de spionnen uit de jaren vijftig en zestig is hier debet aan.

Voor het overgrote deel van alle spionnen is geld de belangrijkste motivatie geweest: een vierde van alle politieke spionnen en drie vierde van alle militaire spionnen. Ook onvrede met de werkgever en wrok tegen de autoriteiten was voor één vijfde een aanleiding om te gaan spionneren.
Deze geldzucht heeft hen over het algemeen weinig opgeleverd: bijna de helft kreeg niets omdat ze voortijdig al werden ontmaskerd. Slechts vier spionnen in de afgelopen vijftig jaar ‘verdienden’ een miljoen dollar of meer.

Ongeveer 80% van alle spionnen gaven op een of andere manier tijdens hun dagelijkse werk al aanleiding tot verdenking van activiteiten die niet helemaal in de haak waren.
Maar dat was op zich nog geen verdenking van daadwerkelijke spionage. Spionnen die gepakt werden, bleken eigenlijk redelijk onopvallend door het leven te gaan.
Interne veiligheidsonderzoeken van de Amerikaanse autoriteiten bleken nog wel eens een steekje te laten vallen. In zes gevallen kwamen personen die op dat moment spioneerden, toch door een ‘security check’.

Spionnen die na de val van het communisme in 1991 werden gepakt, hadden een gemiddelde leeftijd van 39 jaar. Er was sprake van meer vrouwen en verhoudingsgewijs meer personen uit minderheidsgroeperingen. Ook het percentage dat zich vrijwillig ‘meldde’ was hoger dan de jaren daarvoor.
Minder spionnen gingen uitsluitend voor geld spionneren. Ruim de helft had connecties met het buitenland, een stijging met de periode ervoor. Dat had te maken met het reeds genoemde hogere percentage allochtonen.

Door de globalisering en de huidige revolutie in de informatie en communicatietechnologie is ook het karakter van spionage veranderd. Met name economische spionage is zeer belangrijk geworden.
De manier van spionneren is sterk bepaald door deze ontwikkelingen. Spionnen downloaden informatie en sturen die via de modernste communicatietechnologie naar de tegenstander. De veelheid aan informatie en de gigantische omvang van informatie uitwisseling via internet wordt door spionnen dankbaar benut. Informatie kan in luttele seconden naar de andere kant van de wereld gestuurd worden. Huidige spionnen moeten overigens veel van informatietechnologie weten om ongemerkt te kunnen spionneren.
Het tijdperk van opgerolde papiertjes met codes, microfilmpjes en onzichtbare inkt is definitief voorbij.

Katherine L. Herbig & Martin F. Wiskoff : Espionage Against the United States by American Citizens 1947-2001, Defense Personnel Security Research Center, Monterey, California, 2002. (Het rapport van bijna 90 pagina’s is gratis te downloaden).