Voor de Tweede Wereldoorlog hadden de Britten een imposant spionagenetwerk binnen de Verenigde Staten opgebouwd.
Dit netwerk runde vele frontorganisaties die allen hetzelfde doel nastreefden: de VS zo snel mogelijk aan de oorlog tegen de nazi’s laten deelnemen.
Voor het bereiken van dit doel werd gebruik gemaakt van geheime financiering van organisaties die deze deelname bevorderden, mediamanipulatie en het verzorgen van publicaties waarin een deelname positief werd uitgedragen. En in een incidenteel geval werd een lid van het Amerikaanse Congres die zich ‘isolationistisch’ opstelde weggewerkt. Ook werden er politieke carrières van Congresleden, die zich tegen een Amerikaanse deelname aan de oorlog verzette, vernield.


De Britten hadden de Amerikanen hard nodig in hun strijd tegen de nazi’s en wilde eigenlijk zo min mogelijk schade aan de oorlog overhouden.

Behalve deelname van de Amerikaanse regering aan de oorlog tegen de nazi’s, stond ook op de bestrijding van de vijfde colonne op het programma (de nazi-beweging die probeerde een fascistische beweging in de VS op poten probeerde te zetten). Ook werden regelmatig de uitslagen van opinie onderzoeken zo gemanipuleerd alsof het leek dat de meerderheid van de Amerikaanse bevolking voor een deelname aan de oorlog was.

Thomas E. Mahl in zijn boek Desperate Deception, gaat zeer gedetailleerd in op de finesses van dit spionagenetwerk. Wie het leidde, wie de belangrijkste hoofdrolspelers waren, de belangrijkste activiteiten en de onderlinge verbindingen tussen de diverse onderdelen.
De spin in het web was William S. Stephenson, hoofd van ‘British Intelligence’ van 1940-1946. Zijn autobiografie heette ‘A Man called the Intrepid’, de Onversaagbare. Over de legendarische Stephenson zijn al heel wat boeken verschenen in de afgelopen decennia.

Stephenson was hoofd van de British Security Coordination (BSC), de paraplu-organisatie in de VS van waaruit het netwerk over de belangrijkste politieke organen was uitgerold. De BSC was de dekmantel voor de activiteiten van Stephenson die ook contacten onderhield met Edgar Hoover, hoofd van de FBI.

Stephenson was in zijn eerdere carrière lid van de MI-6 en de Special Intelligence Service (SIS) geweest. Zijn voorganger Dick Ellis was eveneens lid van de MI-6 en hielp later mee de OSS op te richten, de voorloper van de CIA.
De hoogst verantwoordelijke baas van Stephenson was Winston Churchill die alles overzag en controleerde.

Er was sprake van een onontwarbare kluwen van Britse spionage organisaties die actief waren op Amerikaanse bodem. Het was bovendien moeilijk aan te geven welke zich bezighielden met de gebruikelijke diplomatieke en culturele activiteiten en welke zich bezig hielden met ‘covert operations’.
Op alle niveaus in de Amerikaanse samenleving waren ze actief, vaak in strijd met de Amerikaanse wet.
Deze Britse operaties stuitte op verzet van het State Department en het ministerie van Justitie. Maar zij konden uiteindelijk weinig uitrichten, want zoals Mahl laat zien, konden deze ministeries nauwelijks op steun van de Amerikaanse president Roosevelt rekenen. Die maakte namelijk deel uit van de ‘Room at the Club’, een spionagenet rond New York dat samenwerkte met de Britse inlichtendiensten.
Roosevelt gaf ruim baan aan de Britse operaties, zowel voor, tijdens als na de Tweede Wereldoorlog.

Toen de nazi’s verslagen waren, ging het de Britten er nu om de isolationisten van voor de oorlog ook na de oorlog geen invloed op het politieke leven en in de politieke debatten te laten krijgen. Dit is volgens de auteur een aspect wat door vele historici over het hoofd is gezien.
In de officiële geschiedenis van de Council on Foreign Relations (CFR) de onofficiële think tank van het State Department, wordt dit aspect ook weggelaten. De reden is omdat belangrijke spionnen die deel uitmaakten van de eerder genoemde BSC, ook lid waren van de CFR.

Deze BSC runde een groot scala van frontorganisaties. De belangrijkste was ‘Fight for Freedom’, geleid door Wendell Wilkie. Hij stond in directe relatie met het Witte Huis.
Wilkie, die in 1940 een hoge functie binnen de Republikeinse partij kreeg, werd in de Amerikaanse pers zeer positief afgeschilderd door Henry Luce, oprichter van Time, Life en Fortune. Luce was medeoprichter van de OSS en werkte samen met William Donovan, de feitelijke oprichter hiervan.
Allan Dulles, de latere CIA chef, werkte voor Donovan.
Luce moest er voor zorgen dat er Brits-vriendelijke artikelen verschenen in de media die hij beheerde. Zijn latere vrouw zou als Amerikaans ambassadeur in Italië in de jaren tachtig ten tijde van de P2 affaire en de strategie van de spanning nog een onverkwikkelijke rol spelen.
De filmmaker Alexander Korda, zorgde voor de vertoning van pro-Britse films in de VS. Hij runde een parallel spionage-netwerk naast die van de MI-6.
Harold Guinzberg, samen met George Oppenheimer oprichter van Viking Press, werkte voor de Amerikaanse Office of War Information, waar specifiek Britse informatie via Amerikaanse kanalen verspreid werd.
Marshall Field, lid van het Britse parlement, richtte de Chicago Sun op in 1941, als tegenhanger tegen de, in Britse ogen, veel te Amerikaanse Chicago Tribune.

Onder de paraplu van de BSC zaten bij voorbeeld ook de WRUL, een radiozender in Boston, gefinancieerd door de Rockefeller Foundation. Het Rockefeller Office stond direct onder Roosevelt evenals het Committee to Defend America, een naam waarbij je niet in de eerste plaats aan Britse subversie denkt. En ‘France Forever’ een duistere club onder leiding van Sandy Griffith die Charles de Gaulle en zijn aanhangers aanvankelijk steunde. Griffith was een SOE man en was ooit lid van de SIS. Hij stond aan het hoofd van een politieke campagne tegen het Amerikaanse Standard Oil of New Jersey en het Duitse IG Farben, die in de oorlog met elkaar samenwerkten.

De invloedrijke radio- en televisie commentator Walter Lippman, die decennia lang de publieke opinie in de VS heeft bewerkt en bekend was in Europa, maakte deel uit van de BSC. Zijn zwager Ivar Bryce, was een agent van de Special Operations Executive (SOE), opgericht door Churchill in juli 1940. Deze subversie eenheden waren tijdens de oorlog in diverse landen actief. Ook Bryce werkte later voor de BSC en de OSS.
Walter Lippman was het hoofd van het American Institute of Public Opinion, dat regelmatig de beroemde Gallup polls publiceerde. Dit instituut en de Gallup polls liepen aan de leiband van de Britten. Degene die er voor zorgde dat ook hier de Britse belangen voorop stonden was David Ogilvy, van het bekende Britse reclamebureau. Destijds werkte Ogilvy op de Britse ambassade in Washington.

De belangrijkste verbindingsman tussen de BSC en het Witte Huis was echter Ernest Cuneo, een advocaat en goede vriend van Dick Ellis. Cuneo ontmoette regelmatig de Britse ambassadeur in Washington, Lord Lothian, die op zijn beurt weer nauwe contacten met Stephenson onderhield.
Stephenson stond ook in nauw contact met Robert Emmett Sherwood. Hij controleerde de speeches van Roosevelt voordat hij ze en public voorlas.

De Britten lieten in de opbouw van hun spionagenetwerk niets aan het toeval over. Daarom is het ook efficiënt geweest. De VS heeft uiteindelijk toegestemd in de deelname aan de oorlog.
De auteur van dit fascinerende boek blijft van mening dat onze kennis van de Britse spionage activiteiten in de VS incompleet is, maar ‘we kunnen wel zeggen dat het een van de meest succesvolle operaties in de geschiedenis was’.

Thomas E Mahl: Desperate Deception, Washington, London, 1998 (serie: Brassey’s Intelligence & National Security Library)