‘In Groot-Brittannië zijn de cijfers voor openbare dronkenschap, drugsgebruik, zwangerschap onder tieners, geslachtsziekten, vandalisme en criminaliteit de hoogste ter wereld’. Dit zegt de Britse psychiater Theodore Dalrymple in zijn verzameling essays ‘Beschaving of wat ervan over is’.
Ouders nemen een loopje met de opvoeding van hun kind. Ze gaan hun verantwoordelijkheden uit de weg.


In de onderklasse van de Britse samenleving spelen zich complete drama’s af. Mannen die hun biologische kinderen in de steek laten, jonge vrouwen die kinderen hebben van drie, vier mannen waarmee ze nooit getrouwd zijn geweest. ‘Ze weten allemaal dat ze hun kinderen veroordelen tot een leven van gewelddadigheid, armoede, misbruik en uitzichtloosheid. En toch vervallen ze steeds weer in hetzelfde patroon, en wel op zo’n grote schaal dat ik vermoed dat bijna een kwart van de Engelse kinderen tegenwoordig zo wordt grootgebracht. Het gevolg: steeds meer gevallen van verwaarlozing, gemeenheid, sadisme en onverschillige kwaadwilligheid; ik ben er onthutst en ontzet over’. ‘Geweld wordt een gewoonte’.
Dit alles wordt nog versterkt door een laag sociaal zelfbesef, gebrek aan zelfrespect, gebrek aan intellectuele en culturele interesses, langdurige werkeloosheid, hoog alcohol-en drugsgebruik, een slecht en eenzijdig voedingspatroon, geen perspectief op de toekomst, een ordeloos bestaan en een daaruit voortvloeiend radicale individualistische en egoïstische losbandigheid, verschijnselen die vaak kenmerkend zijn voor de belevingswereld van lagere maatschappelijke klassen.
Volgens Dalrymple is voor deze mensen een of andere ramp hun liever dan verveling. ‘Liever een leven van ergernis dan een rustig leven’. Hier zie je de menselijke zelfdestructie in optima forma.

Veel van wat er mis is gegaan, schrijft Dalrymple op conto van de seksuele revolutie van de zestiger en zeventiger jaren. ‘Er is seksuele chaos alom’. Dit alles heeft geresulteerd in ‘torenhoog oplopende echtscheidingscijfers en een gigantisch aantal buitenechtelijke geboorten’.
De pleitbezorgers van deze revolutie waren onder andere John Money (‘veelvormige perversiteit is iets goeds’), Margaret Mead, Franz Boas, Havelock Ellis en Alfred Kinsey, de kwaadaardigste van allemaal.
Niet voor niets was het overgrote deel van deze academische seksgoeroe’s afkomstig uit Groot-Brittannië. Dat is geen toeval, volgens Dalrymple. Ze zijn allen verantwoordelijk geweest voor de verwoestende maatschappelijke gevolgen van hun zieke ideeën.

Groot-Brittannië is inmiddels vervallen tot een derde wereldland. Op alle maatschappelijke terreinen is de levenskwaliteit in het land afgenomen.
Het land is weliswaar een politiek stabiele democratie met nog steeds groeiende economische cijfers, maar dat neemt niet weg dat het er in sociaal-maatschappelijk opzicht slecht voorstaat.
Het imago van de onkreukbare Britse ambtenaar die nooit om een steekpenning vroeg en de financiële rechtschapenheid van het openbaar bestuur, heeft tot gevolg gehad dat de mening bij mensen postvatte dat de staat deugde, dat de staat de goedheid zelve was. Dat had weer tot gevolg dat mensen dachten dat de staat maar voor hen moest zorgen. ‘De omvangrijke en schijnbaar welwillende staat heeft de trotse en robuuste onafhankelijkheid van de Britse bevolking, die ooit door bezoekers werd opgemerkt, geheel uitgehold.
Veertig procent van de Britten is nu afhankelijk van overheidssubsidies en ontvangt een rechtstreekse betaling uit de staatskas als geheel of gedeeltelijk inkomen. En dan nog start de overheid regelmatig advertentiecampagnes om ervoor te zorgen dat de mensen aanvragen indienen voor alles waar ze recht op hebben’.
‘Mensen zitten vast in een psychologische en economische slopende dialectiek. Dit is geen randverschijnsel, maar doet zich massaal voor. Het wekt verwarrend en voorkomt dat er actie wordt ondernomen. Het verklaart mede de verloedering en het gebrek aan zelfrespect die in de straten van Groot-Brittannië zo duidelijk te zien zijn’. Kijk naar het gedrag van Britse voetbalhooligans en Britse bouwvakkers in het buitenland.

Het stedelijk erfgoed wordt massaal vernietigd. Britten zijn eigenlijk een stel cultuurbarbaren, volgens Dalrymple. Het land heeft al niet veel rijk architectonisch erfgoed, maar dat wat ze heeft wordt snel vernietigd.
Complete historische stadskernen met Victoriaanse neogotische architectuur gaan tegen de vlakte en moeten wijken voor commerciële belangen en ‘afschuwelijke en onmenselijke Le Corbusier-achtige kolossen’. Niemand die zich erom bekommert, geen enkele bureaucratie die naar behoud van het erfgoed streeft. Deze extreme kaalslag is ongekend voor de rest van Europa.
‘Waar lelijkheid en onverschilligheid troef zijn, kan gedrag ook gemakkelijk lelijk en grof worden en gezamenlijke trots op de eigen stad doen verdwijnen. Het lijkt er niet toe te doen hoe mensen zich gedragen: er is toch niets dat verpest kan worden’.

De Britse cultuur stelt niets meer voor. Het is een groot cultureel vuilnisvat geworden. Wie de literaire beschouwingen en de kunstkritieken in de media leest, voor zover ze over Britse cultuuruitingen gaan, zal zien dat er alleen wanproducten worden gefabriceerd. ‘De Britse beschaving is zeer snel verloederd’. ‘De Britse 20e eeuwse cultuur leefde in een atmosfeer van permanent pessimisme’.

Dalrymple wijst op specifieke tentoonstellingen en exposities waar perversiteiten en alles wat maar taboe doorbrekend is op het gebied van de seks, eerder normaal moet worden gevonden, en ook normaal wordt gevonden, dan dan grote delen van de bevolking hier kritisch en negatief tegenover staan.
Die verloedering is natuurlijk internationaal, dat ziet Dalrymple ook wel, alleen het zijn de Britten die weer overal een schepje bovenop doen.
Het duo Gilbert & George dat van hun eigen uitwerpselen kunstwerken maakte en ook de recente godslasterlijke producties, zoiets kan eigenlijk alleen maar in Groot-Brittannië gemaakt worden. ‘Intellectuelen bewijzen de zuiverheid van hun politieke sentiment door de smerigheid van wat ze maken’.

Deze intellectuelen hebben een bewondering voor alles wat volks en snobistisch is. ‘Grofheid is de prijs die intellectuelen betalen, zo niet aan het proletariaat zelf dan toch aan het schematische, onnauwkeurige en neerbuigende idee dat ze van het proletariaat hebben. (…). Grofheid is de rode draad die door de hele moderne Britse kunst loopt. Moedwillig wordt wanstaltigheid en een slechte primitieve smaak tot norm verheven’. ‘De Engelsen zijn over het algemeen niet geïnteresseerd in moderne kunst of in welke kunst dan ook’.

‘Wat snobisme betreft verheft de intellectueel zich boven het gewone volk, dat zich nog steeds wereldvreemd vastklampt aan normen, vooroordelen en taboes, door deze grondig te verwerpen. In tegenstelling tot anderen is hij geen gevangene van zijn opvoeding en culturele erfenis; en bijgevolg bewijst hij de vrijheid van zijn geest door de amoraliteit van zijn opvattingen’.
Dalrymple komt in zijn boek met vele voorbeelden van wanstaltigheid, extreme vulgariteit en degeneratie in de Britse kunst. Schilderijen krijgen als naam een reeks scheldwoorden of bastaardvloeken aan elkaar geplakt. Hier is het culturele nihilisme wel tot grote diepte gedaald.

‘Een grove cultuur brengt lompe mensen voort, en individuele beschaafdheid zal het al snel tegen openlijk excessen afleggen. (…) Het slechte verdrijft het goede, tenzij het goede wordt verdedigd’.
In geen enkel land is volgens Dalrymple het proces van verloedering zo ver voortgeschreden als in Groot-Brittannië: ‘hierin althans lopen we voorop in de wereld. Een natie die nog niet zo lang geleden bekendstond om haar beheerste manieren, is nu berucht vanwege haar grove smaak en de asociale activiteiten om haar lusten te bevredigen’. (…) ‘Haal de discipline weg en gewelddadige ruzies zijn het gevolg’.
‘Merkwaardig genoeg is de revolutie in de Britse manieren niet tot stand gekomen door een vulkaanuitbarsting van onderaf: integendeel, het was de intellectuele vleugel van de elite die de kont tegen de krib gooide. Dat doet hij nog steeds, al is er inmiddels van de krib weinig meer over’.
‘Dit is, in het klein, de geschiedenis van het moderne Groot-Brittannië’.