De publicatie van een boek, dat gaat over de wereldwijde christenver­volgingen, is gesteund door het Amerikaanse Freedom House, een mensenrechten­organisatie opgericht door Leo Cherne, een ex-CIA agent.
Het betreffende boek ‘Their Blood Cries Out. The Untold Story of Persecution against Christians in the Modern World’, ge­schreven door de Canadese professor Paul Marshall, beschrijft de situatie in 65 landen waar christenvervolgingen plaatsvin­den. Marshall komt tot de conclusie dat ongeveer 150.000 christenen per jaar hun geloof met hun leven moeten bekopen en dat er nog zo’n 200 miljoen christenen worden vervolgd.

Marshall, sinds 1981 hoogleraar aan het Institute of Christian Studies in Toronto, is in zijn onderzoek gesteund door onder andere Christian Solidarity International, een christelijke mensenrechtenorganisatie die geleid wordt door Barones Cox, lid van het Britse Hogerhuis.
De directe aanleiding voor het schrijven van het boek was Marshall’s bezoek aan een congres gewijd aan godsdienstvrij­heid in de wereld. Het congres dat begin 1996 in Amerika plaatsvond, werd door Freedom House georganiseerd.

Opmerkelijk is echter de achtergrond van de man die deze mensenrechtenor­ga­ni­satie sinds de jaren veertig leidt. Leo Cherne, de leider van Freedom House is iemand met banden tot in kringen van geheime agenten.

In 1962 was Cherne samen met de broer van de voormalige presi­dent George Bush en William Casey, de latere CIA chef, de oprichter van het National Strategy Information Center (NSIC). Dit Center was een belangrijk instrument voor propaganda van de CIA. Gedurende zijn bestaan voorzag de NSIC informatie aan 300 kranten wereldwijd en werkte nauw samen met Britse inlich­tingen­dien­sten.
Cherne is altijd een zeer goede vriend van George Bush ge­weest, die voordat hij president werd, enkele jaren hoofd van de CIA is geweest.

In de jaren zeventig werd Cherne door president Nixon benoemd als hoofd van de Presidents Foreign Intelligence Advisory Board (PFIAB), een soort controle orgaan dat de activiteiten van de diverse Amerikaanse inlichtingen­diensten overziet. Toen in 1976 president Ford een reorganisatie van de inlichtingen-diensten doorvoerde, speelde Cherne wederom een belangrijke rol in het geheel. In de tachtiger jaren was Cherne samen met CIA agenten betrokken bij een operatie van de PFIAB, met het doel politieke opponenten monddood te maken.

Toen Freedom House werd opgericht was Leo Cherne samen met Max Kampelman de stuwende kracht achter de organisatie. Kampelman is één van de leiders van de Anti Defamation League, een Joodse lobby binnen het Amerikaanse politieke establishment. Kampelman zit in het bestuur van het aartsconserva­tieve Wood­row Wilson Center en is tevens lid van de Council on Foreign Relations (CFR), een adviesorgaan voor de Amerikaanse buiten­land­se politiek.
Net als Kampelman, is ook Cherne een overtuigd zionist.
In het bestuur van Freedom House zit onder meer Zbigniew Brzezinski, de voormalige veiligheidsadviseur van Jimmy Car­ter. Beiden zijn overigens lid van de CFR.
Vanaf 1983 speelde Leo Cherne een bijrol in de beruchte Iran Contra affaire. Omstreeks deze tijd was hij lid van het pro­ject ‘Public Diplomacy’, een mantelorganisatie van de National Security Council, die campagnes tegen de Iran Contra affaire in de kiem smoorde.

Opmerkelijk is ook dat Cherne bij het International Rescue Committee (IRC) betrokken is geweest. Een organisatie die het verloop van de oorlog in Afghanistan volgde tijdens de Sovjet bezetting van het land. In het bestuur van het IRC zat Cher­ne’s grote vriend, CIA directeur William Casey. Momenteel is onder andere senator Alfonse D’Amato een van de ere-voorzit­ters van het IRC. D’Amato is tevens hoofd van het comité dat het joodse goud uit Zwitserland of een vergoeding daarvoor wil terugheb­ben.

Leo Cherne is ook bij diverse andere organisaties betrokken geweest waar geheime diensten en subversieve campagnes tegen vreemde mogendheden een rol hebben gespeeld. Cherne is decen­nia lang planner geweest van dergelijke acties.

De eerder genoemde Paul Marshall zal zich zeer binnenkort in Washington vestigen, om daar de taak als onderzoeksdirecteur van Freedom House uit te oefenen. Hij zal er een bureau opzet­ten om binnen de Amerikaanse politiek te lobbyen voor vervolg­de christenen. Onder leiding van Leo Cherne zal hij zijn bevindingen gaan publiceren. Of de objectiviteit van Mars­hall’s onderzoek niet in het gedrang komt is de vraag.