De vrijmetselarij in Nederland verkeert in een grote crisis. Bij de 146 in ons land werkende loges met in totaal 5629 leden heeft de vergrijzing drastisch toegeslagen en is de gemiddelde leeftijd met 2,1 jaar toegenomen. Veel vrijmetselaren zijn ouder dan zestig jaar.
In bepaalde regio’s kampen sommige loges met een nog grotere vergrijzing dan het landelijke gemiddelde. ‘De inkomende stroom jonge mensen is te weinig om tegenwicht te bieden aan de race met de tijd en compensatie voor de sterfte en de nog relatief jonge afscheiding’.


De Commissie Toekomstverkenning, ingesteld door het hoofdbestuur van de vrijmetselarij, vindt de situatie ‘schokkend’. Dit meldde onlangs het vrijmetselaars maandblad Ken Uzelve, de voortzetting van het Algemeen Maçonniek Tijdschrift.

In 1998 was er reeds eerder een onderzoek naar de samenstelling van de vrijmetselarij. Toen een van de leden van de Commissie Toekomstverkenning kort geleden de cijfers van 1998 aan het updaten was ‘viel hij bijna van zijn stoel, zó schokkend. De toestand is nog zorgwekkender geworden’.
‘Wij zijn echt geen piskijkers. Iedereen kan de grafiek begrijpen. Als we zo doorgaan, dan houden we rond 2010 nog dertig procent broeders over die jonger dan zeventig jaar zijn. Hoogste tijd dus voor nieuwe actie’.
De Nederlandse vrijmetselarij wil echter ‘geen tienduizenden nieuwe leden binnenhalen. De kwantiteit is ook belangrijk. Maar je ontkomt er niet aan ook op de kwaliteit te letten. Wij zijn erflaters van een goed dat we nu al bijna tweehonderdvijftig jaar in beheer hebben, en dat schept verplichtingen’. (….) We moeten dus geen dingen doen waar we spijt van krijgen, niet met hagel gaan schieten om maar getalsmatig te scoren’.

De demografische ontwikkelingen in Nederland gaan ook de vrijmetselarij niet voorbij. Al tientallen jaren bestaat er bij de logeleden zorg over het voortbestaan van de orde.
De reeds eerder ingestelde Commissie Communicatie boekt weinig resultaten en de Commissie Toekomstverkenning (CTV) heeft zes jaar geleden een beleidsplan opgesteld, maar ‘intussen blijkt dat er nauwelijks iets waarneembaar veranderd is’.
Het onderzoek van de CTV was gebaseerd op de ledenlijst van februari 2004 en de bestanden van de aanwas, afscheidingen en sterfte die door het grootsecretariaat ter beschikking zijn gesteld.

De conclusies van het CTV rapport zijn alarmerend:

-De orde veroudert snel en veel nieuwelingen houden het snel voor gezien. De sfeer in de loges valt kennelijk tegen. ‘Een zeer groot aantal jongere broeders voelt zich kennelijk niet thuis’.
-Uit niets blijkt dat de krimp en de veroudering van de orde tot staan gebracht wordt, eerder het omgekeerde.
-Een relatief groot aantal loges in den lande komt in een stadium dat het aannemen van jonge leden niet meer te verwachten valt. Daardoor wordt de toename van de gemiddelde leeftijd versnelt.
-Het inwijden van broeders in de leeftijdgroepen 35-55 jaar die kort daarna de loge weer verlaten, zal tot reputatieschade van loges en orde hebben geleid.
-Uit niets blijkt dat de orde zich bewust is van de algehele malaise. ‘Het zicht op het 250-jarig bestaan versluiert de werkelijk ernstige situatie’. ‘De orde heeft op basis van de huidige ontwikkelingen weinig zicht en zal binnen tien jaar vrijwel geen enkel zicht meer hebben op een toekomst’.
-Als er niet snel nieuwe leden worden opgenomen, het aantal inwijdingen niet toeneemt en indien er geen nieuwe loges in groeikernen ontstaan, (…) zal de orde ‘een steeds meer marginale rol in het Westen spelen, met het uiteenvallen van de orde en beëindiging van loges als gevolg’.
-De orde heeft een imagoprobleem en is door zijn structuur communicatief zwak. ‘Een relatief klein incident kan publicitair grote gevolgen hebben’. Er bestaat geen calamiteitenplan op ordeniveau.

Door de CTV worden nog meer actuele problemen opgesomd die de Nederlandse vrijmetselarij op niet al te lange termijn de nekslag kunnen geven.
Er is sprake van een daling van het ledental. Deze daling is weliswaar geringer dan zes jaar geleden voorspeld is.
De verwachting was aanvankelijk dat in 2005 het totaal aantal rond de 5150 zal bedragen, een afname dus van pakweg 500 leden, maar dat zal niet in 2005 plaatsvinden.
Door de gemiddelde hoge leeftijd van de logeleden zijn er nog maar weinig leden die een betaalde baan hebben. Daardoor neemt de inbreng vanuit de maatschappij alsmede de invloed daarop sterk af. Bovendien is het lidmaatschap van enkele duizenden euro’s per jaar niet aantrekkelijk als je nog studeert of als je net aan het begin van je carrière staat.

De vergrijzing speelt parten binnen de loges: er zijn bijna geen leden van 70 jaar en ouder die nog functies aanvaarden. Hoewel de gemiddelde levensverwachting van mannen met een hogere opleiding (want die zijn overheersend binnen de loge) momenteel 79 jaar bedraagt, blijkt uit onderzoek dat op gemiddeld 75-jarige leeftijd ‘een comfortgrens wordt overschreden’. ‘Het oplopen van de gemiddelde leeftijd is aanzienlijk schadelijker voor de orde dan de krimp van de orde’. Dat heeft met name gevolgen voor de zogenaamde ‘vervolgpaden’, zeg maar de graden hoger dan de blauwe graden (leerling, gezel en meester). Voor de hogere graden (vanaf de 4e tot de 33e graad) gelden nog hogere gemiddelde leeftijden.

Ook in bepaalde regio’s in Nederland blijken loges nog sneller te vergrijzen dan de gemiddelde vergrijzing. Bij loges in de regio Noord-Holland bestaan er ‘problemen’. Elf loges hebben inmiddels het predikaat ‘zorgelijk’. In zes loges is ‘een gevaarlijk hoge gemiddelde leeftijd bereikt’. Twee loges hebben ‘de lichten gedoofd of zijn opgenomen in naburige loges’. Alleen in Amsterdam, Goes en de regio Limburg groeien de loges licht.

‘De basis van de orde wordt in haar voortbestaan bedreigt’, constateert Ken Uzelve. De beleidsvoorstellen die zijn geformuleerd klinken mooi, maar lijken nauwelijks aan te slaan of effect te resulteren. ‘Bewaken, ontwikkelen en weer gezond maken van de capaciteiten van de blauwe graden’, ‘het in stand houden of weer op peil brengen van de kwaliteit van de arbeid’, ‘regelmatige, ondogmatische gedachtewisseling in een beschermde, beschaafde vriendenkring’, ‘bevorderen van de cohesie en interne kwaliteit’, etc.,etc.
Het enige echt praktische en bijdetijdse voorstel waar logeleden schijnbaar op zitten te wachten is in het beleidsplan opgenomen: ‘catering aansluitend aan de dagelijkse profane arbeid en een arbeidstafel die rekening houdt met files en parkeerproblematiek’