De ministerraad heeft besloten om met ingang van januari 2004 in Nederland een algemene identificatieplicht in te voeren. Volgens de nieuwe wet zal iedereen vanaf 14 jaar en ouder verplicht zijn, ten alle tijden een geldig identiteitsbewijs bij zich te dragen en op verzoek te tonen aan de politie of een opsporend ambtenaar. Het wetsvoorstel dat sterk is bekritiseerd, heeft verregaande gevolgen.

In december 2002 kwam minister Donner al met een wetsontwerp voor een algemene identificatieplicht met als minimum leeftijdsgrens 12 jaar. Het niet voldoen aan de identificatieplicht kan een boete opleveren van 2250 euro of een gevangenisstraf van maximaal twee maanden. Donner stuurde het wetsontwerp voor advies naar het College Bescherming Persoonsgegevens, de Nederlandse Orde van Advocaten en de Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak. Zowel het CBP als de orde van Advocaten gaven een negatief advies evenals de nationale Jeugdraad.

Het College Bescherming Persoonsgegevens maakt zich ernstig zorgen over de wijze waarop vooraanstaande politici de privacy van burgers opzij zetten. Vooral het wetsvoorstel voor een algemene identificatieplicht is een goed voorbeeld van een ondoordachte wet waarbij bovendien de onderbouwing volledig ontbreekt. Het college verweert zich tegen de suggestie dat privacybescherming het oplossen van maatschappelijke problemen zou belemmeren. Het is juist de overtuiging en ervaring van het CBP dat privacybescherming een van de succesfactoren is voor een effectief overheidsoptreden.

Kort na de elfde september stelde toenmalig minister van justie Korthals Altes een beperkte uitbreiding van de identificatieplicht voor, in geval van terroristische dreigingen. Het CBP kon zich daarin vinden omdat die uitbreiding in redelijke verhouding stond met het gestelde doel.

Anders is dit met de algemene identificatieplicht. Het CBP stelt dat deze in strijd is met Art 8 EVRM dat het recht op de privacy waarborgt. Er is geen social pressing need, geen reden om een inbreuk in de persoonlijke levenssfeer te rechtvaardigen.
Ook gaat Donner niet in op de kritiek die al jaren op de identificatieplicht wordt geleverd. Het nieuwe voorstel zal volgens het CBP leiden tot grootschalige controle en registratie van niet verdachte personen en staat bovendien haaks op het persoonsnummerbeleid.
Onlangs heeft nl. een commissie o.l.v. Ed van Thijn geadviseerd om het A nummer (persoonsnummer in de gemeentelijke basis administratie) te vervangen door een Burger Service Nummer (het huidige sofi-nummer). Dit nummer dat op paspoort en rijbewijs staat wordt gebruikt om bestanden te koppelen. Donner wil bovendien de mogelijkheden verruimen om met dit nummer gegevens bij banken op te vragen.

De gevolgen van een algemene identificatieplicht gaan nog veel verder. Onlangs tekende president Bush een wet die bepaalt dat ook voor alle bevriende Europese landen die niet voor 2004 een biometrisch paspoort hebben, weer een visumplicht gaat gelden. De wet is een onderdeel van de oorlog tegen het internationale terrorisme, maar ruim voor de elfde september bestonden er in de meeste Europese landen al plannen voor een biometrisch paspoort.
In Nederland werd biometrie in het paspoort al door minister van Boxtel voorgesteld. Onlangs heeft de Britse regering besloten een irisscan in het paspoort op te nemen. Op 5 mei besloten Frankrijk en de VS, ondanks de meningsverschillen over Irak, tot samenwerking om een technologisch hoogstaand chip-paspoort te ontwikkelen waarin biometrie centraal zal staan. De gedachte hierachter is dat biometrische paspoorten moeilijk te vervalsen zijn.

Deze ontwikkeling wordt door internationale burgerrechtorganisaties heftig bekritiseerd en dat niet alleen om privacyredenen. Biometrie is niet onfeilbaar; uit rapporten uit binnen en buitenland blijkt dat bij vingerbiometrie een foutkans bestaat van ongeveer vijf procent en bij biometrische gezichtsherkenning is dat maar liefst vijfentwintig procent of meer.
Een foutkans betekent dat personen door de apparatuur ten onrechte niet worden herkend of ten onrechte geaccepteerd, waardoor er persoonsverwisseling kan ontstaan. Ook bij een irisscan bestaat een foutkans, de grootte van de iris kan veranderen door medicijngebruik en afwijkingen als grauwe staar maken het oog ongeschikt voor biometrische identificatie.
Een scan van de retina die het meest betrouwbaar wordt geacht, heeft een geringere kans op publieke acceptatie omdat er daarbij met infrarood licht in het oog wordt geschenen.

Op dit ogenblik is Maleisië het verst met de invoering van biometrische identiteitsbewijzen. Drie weken na de introductie waren er al perfecte vervalsingen in omloop. Het is dan ook te verwachten dat bij de introductie van biometrische paspoorten, grote internationale criminele en terroristische organisaties op grote schaal zullen investeren in biometrische apparatuur om identiteitsbewijzen te vervalsen. Burgerrechtorganisaties geloven dan ook niet dat het internationale terrorisme met behulp van biometrie en identificatieplicht kan worden bestreden maar zien wel nieuwe gevaren ontstaan.

Het is dringend noodzakelijk dat de gevaren van identificatieplicht en biometrie onder de aandacht worden gebracht en een publiekelijke discussie over de wenselijkheid van deze ontwikkelingen wordt gevoerd.