Sinds 1987 bestaan er contacten tussen de geestelijke leider van de Tibetaanse gemeenschap in het westen, de Dalaï Lama, en Shoko Asahara, de leider van de Japanse secte van de Hoogste Waarheid, die bekend werd toen zijn volgelingen vorig jaar april het gifgas Sarin loslieten in de Japanse metro waarbij vele slachtoffers vielen.

Dit meldde het Duitse blad ‘Focus’ september vorig jaar. Korte tijd daarna namen de twee belangrijkste kranten in China, de ‘People’s Daily’ en de ‘Guangming Daily’ het verhaal over en zorgden met de publicatie ervan voor een groot schandaal. Asahara kon zo’n invloed­rijk secteleider worden, dank-zij de hulp van de Dalaï Lama, aldus de krant. Ook in de Indiase pers heeft het verhaal uitgebreid gestaan. Het imago van de Dalaï Lama is in deze landen danig geschonden.

Vreemd genoeg was hierover niets in de belangrijkste westerse kranten terug te vinden. De Tibetaanse Dalaï Lama, het weerloze slachtoffer van de Chinese agressie tegen zijn land, kan in het westen op de grootst mogelijke goodwill rekenen. Zijn banden met de Aoum-secte werden lange tijd verdoe­zeld.

Vanaf 1987 heeft de Dalaï Lama de secteleider Asahara minstens vijf maal ontmoet, de eerste maal in India. De Indiase pers publiceerde foto’s met de twee hand in hand staande en glimlachende heren. Ook het Duitse blad ‘Stern’ publiceerde eind augustus vorig jaar nieuwe feiten over de ontmoetingen.

De Dalaï Lama noemde Asahara in een brief ‘een competent religieus leider’. Zelfs na de gifgasaanslag noemde de Dalaï Lama in een interview met de Kyodo News Service de secteleider ‘een vriend, maar geen perfecte vriend’.
De wederzijdse lofuitingen dateren van begin 1989 toen de ‘Council for Religious and Cultural Opportunities’, waarvan de Dalaï Lama het hoofd is, de Japanse secteleider kwalificeerde als ‘een bekwaam religieus leider’ en ‘een ervaren meditatie specialist’.
De Aoum-secte stond ook op goede voet met Boeddhistische monniken in het buitenland. Asahara schrijft in zijn boek ‘Supreme Initiation’, dat hij door de Dalaï Lama in de Boeddhi­stische Mahayana-traditie is ingewijd.

Het blad ‘Focus’ meldde verder dat religieuze en culturele adviseurs van de Dalaï Lama ‘de ethische praktijken van de Aoum-secte aanbevelen’. Ook heeft de Dalaï Lama door zijn invloed ervoor gezorgd dat de secte in Japan geen belasting hoefde af te dragen. De Chinese pers ging nog dieper in op dit feit.
Dit alles in een periode toen de secte al lang en breed bezig was gifgas op te slaan en vanuit Rusland wapens en kleine hoeveelheden uranium Japan binnensmokkelde. Ook stelde de Aoum-secte fondsen beschikbaar voor de organisatie van de Dalaï Lama.

Guangming Daily, de belangrijkste Chinese krant voor de intellectuele elite in het land schreef, dat de banden tussen de Dalaï Lama en Asahara altijd goed waren en bleven, zelfs na de gifgasaanval in de Japanse metro. ‘Het laat zien dat de Dalaï Lama wist wat hij deed. Er is een ongebruikelijke relatie tussen de twee’.

De leden van de Aoum-secte, die zeer geïsoleerd leefden onder een regiem van psychologische terreur, dwang en hersenspoeling moesten één keer in de zoveel tijd een cocktail drinken van het bloed, de urine en het waswater van de leider, om zodoende de gedachten van de leider beter in zich te kunnen opnemen. Zij wisten uiteraard niets van de activiteiten van hun leider, die enerzijds goede vriendschappe­lijke betrek­kingen onderhield met de vredesgezin­de Dalaï Lama en anderzijds contacten onderhield met het Russische leger en de KGB met het doel zichzelf wapens te verschaffen.