In de republiek Zuid-Afrika ligt de kleine, onafhankelijke bergstaat Lesotho, die wordt bewoond door 1,7 miljoen mensen, die beho­ren tot de volksstam van de Basotho’s.
Lesotho wordt geregeerd door koning Letsie III, die in Oxford heeft gestudeerd, met een democratisch gekozen parlement van 80 personen en een ministerraad. De jongste verkiezingen werden in mei gehouden, wat geleid heeft tot een conflict tussen de beide politieke partijen van het land, omdat de ene partij de andere ervan beschuldigt met de stembussen te hebben geknoeid, zodat de oppositie slechts twee zetels kreeg.


Om het geschil uit de weg te krijgen heeft de Zuid-Afrikaanse rechter Pius Lange zich bereid verklaart, te bemiddelen. Dat werd aangenomen.
Na een uitgebreid onderzoek verscheen een rapport, dat niet in Lesotho maar op het eiland Mauritius ter lezing werd neer­ge­legd. Dat maakte de oppositie woedend, die de eerste minis­ter ervan beschuldigde een vriend te zijn van de huidige Zuid-Afrikaanse regering.
Op 17 september werd ten slotte het rapport bekend gemaakt in Lesotho en bleek geen duidelijke uitspraak te bevatten.
De oppositie werd opnieuw kwaad; het wantrouwen tegen de Zuidafrikaners nam aanzienlijk toe.
Eerste minister Pahalitha Mosisili kreeg het benauwd en riep de hulp in van president Mandela en de bevelhebber van het Zuid-Afrikaanse leger.

Hij kon dat doen door zich te beroepen op de inhoud van een overeenkomst, uit 1994, waarin Mandela (als opperbevelheb­ber) de vrede in Lesotho garandeert. Mosisili beweerde, dat zijn wettige regering werd bedreigd, en dat het koninkrijk bijna in een staat van anarchie verkeerde door een campagne van ‘de oppositiepartijen’ die het land ‘onregeerbaar’ maak­ten.
Dit was onjuist.

Op 22 september 1998 marcheerde het Zuid-Afrikaanse leger Lesotho binnen.
De waarnemend minister van buitenlandse zaken, Aziz Pahad, maakte in de hoofdstad Maseru bekend, dat er een staatsgreep was geweest en dat het leger de regering kwam helpen ‘de situatie te normaliseren’.
Ook dit was onjuist. Het was een verzinsel!
Mandela was in Canada en vertelde daar de pers, dat het in Lesotho ging om ‘een welbewust georganiseerde militaire inter­ventie’ en een ‘nobele zaak’! Het motief zou zijn, ‘chaos en anarchie voorkomen’…

Mbeki, zijn rechterhand, was ook in het buitenland en hield zijn mond.
Wat een wonder, dat de bevolking van Lesotho in woedde uitbar­ste toen het ineens met het leger van de buren te maken kreeg.
Generaal Constand Viljoen heeft achteraf verklaard, in het in Johannesburg verschijnende dagblad ‘Star’, dat het leger zich met deze operatie een heel slechte naam had bezorgd.
De koning wist nergens van. Hij was juist bezig met de leiders van beide partijen te spreken om een verzoening te bewerkstel­ligen.
De Zuid-Afrikaanse hoge commissaris in Maseru wist ook van niets.
De legerleider uit Zuid-Afrika riep niettemin de hulp in van 200 hulptroepen uit Botswana; niemand wist waarom. Toen ze de grenspost Mmbatho bereikten, stond daar een jonge officier met een computer, die geen enkele opdracht had ontvangen.
De hoofdstad Maseru stond reeds in vlammen; 400 kantoren en winkels werden verwoest. Alles wat met moeite was opgebouwd (vooral met hulp van de republiek Vrij China op Taiwan) ging eraan. Alleen de buitenwijken bleven gespaard.
Het eigen leger van Lesotho vocht op leven en dood tegen de Zuid-Afrikaners, met 3000 man tegen 600. Het mocht niet baten. Na twee dagen en nachten kregen de troepen uit Zuid-Afrika en Botswana de beide kazernes in Maseru in handen (daar vielen 122 doden).

Achteraf is gebleken, dat Mandela al op 11 September had besloten Lesotho te bezetten, zegt ‘The Aida Parker Newslet­ter’ (Auckland Park, RSA).
Er zijn nu 3500 soldaten daar; dat kost 3 miljoen Rand per dag…