De communistische regering van Angola maakt zich, volgens ds. Peter Hammond en andere protestantse zendelingen, voortdurend schuldig aan gewelddaden, vooral in het zuidoostelijk gedeelte van het land.
Angola had toestemming gekregen van Namibië om haar soldaten hun grondgebied te laten gebruiken om de troepen van de wettige regering (de Unita, die voornamelijk uit christenen bestaat) van Angola in de rug te kunnen aanvallen.

Als gevolg van het onverwachte offensief zagen Hammond’s medewerkers, Robert en Johan, zich gedwongen om zich terug te trekken. Zij sloten zich aan bij overlevenden van de bombardementen die op de vlucht waren. Zo kwamen ze te weten dat de communisten honderden gevangen genomen burgers hadden vermoord. Velen waren om het leven gebracht door hen in afgesloten containers te laten stikken.
Vrouwen en ouden van dagen waren door de communisten overgebracht naar kampen voor vluchtelingen in Namibië. Overlevende jonge mannen werden overvallen en geboeid overgebracht naar kazernes in het Westen van Angola, waar ze werden gedwongen zich aan te sluiten bij het leger van de communisten.

In ‘Frontline Fellowship News’ zegt ds. Hammond, dat de boeren in Cuando-Cubanga in Zuidoost Angola alles hebben verloren. Hun huizen, hun fruit en groenten, hun vee, en vele familieleden. Een van hen zei: “Dit is erger dan oorlog”.
In normale oorlogen bestaan er twee kanten: vijanden en vrienden. Maar voor de burgers in Angola is er niets dan de verschroeide aarde; niemand in Afrika komt hen te hulp. In de meeste landen in dat werelddeel zijn communisten aan de macht gekomen. Er bestaan internationale sancties tegen hen. Soldaten van Namibië schieten hen neer a1s ze proberen te ontsnappen. In de centra voor vluchtelingen van de Verenigde Naties worden ze behandeld als vee.

Met de grootste moeite bereikten ds. Hammond en zijn helpers de christenen, die wanhopig en verlaten rondzwerven. Ze brengen hen voedsel, kleding en christelijke lectuur. Op sommige plaatsen hebben ze christelijke films in de Portugese taal kunnen vertonen. Ze brachten groepen bij elkaar op verborgen plaatsen, om met hen te bidden en woorden van bemoediging te spreken.

Een gevangen genomen communistische soldaat uit de hoofdstad van Angola verklaarde “Wij zijn hier gekomen om te eten en te vermoorden!” Tientallen dorpen zijn plat gebrand, kerken van de ‘Evangelische Kerk van Angola’ verwoest; predikanten ontvoerd of gedood. In een achtergelaten brief van een dominee, die ds. Hammond kende, stond: “Robert, je kunt beter teruggaan naar Amerika, maar we hebbon je hier nodig, in Angola”.
Het is echter een vrijwel onmogelijke taak. Voortdurend duiken er soldaten van  Angola en Namibië op. Met tact en geduld heeft ds. Hammond een door soldaten van Namibië gevangen genomen zendeling vrij gekregen. De militairen zijn vaak dronken, met name op zondagen, en willen dan graag een gevangene martelen.

Ds. Hammond vond een vluchtelingenkamp op de grens van Namibië en Angola waar 9000 mensen in waren gepropt. Humanistische bureaucraten probeerden christelijke ambtsdragers te verdringen. Zij bemoeilijken hun werk en bewegingsvrijheid door allerlei bureaucratische maatregelen.