Vijf en twintig Syrische onderdanen zochten tussen 1988 en 1993 asiel in België. Zij beleefden Pasen in een zeer hypothetische verwachting dat ze het statuut ‘politiek vluchteling’ zouden ontvangen. Maar… zij ontvingen alleen het bevel het Belgische grensgebied te verlaten in 1993 en 1994.


Doch de Belgische autoriteiten, heel zeker op de hoogte van de plaatselijke toestand, hebben nooit dit bevel in een gedwongen uitwijzing omgezet. Het gevolg is nu dat zij nog steeds in België verblijven, doch zonder enige rechten!

Deze personen behoren tot een Assyrische minderheidsgroep uit de regio van Kaheshli, dicht bij de Turkse grens, waar de saamhorigheid met het christendom teruggaat tot de eerste eeuw van onze jaartelling.
Bij hun aankomst in België hebben zij een aanvraag ingediend bij de bevoegde autoriteiten om het recht van politiek vluchteling te bekomen. Dit onder de verklaring dat zij blootgesteld waren aan een etnisch-godsdienstige vervolging door de Koerdische moslimbevolking uit Syrië.
De spanning onder de Koerdische moslims en de christenen is zeer sterk in deze regio, en de controle van de centrale autoriteiten laat veel te wensen over.

Na een lange periode van rechtspleging die hen eindelijk toeliet zich in België te vestigen, te werken, de kinderen in te schrijven op de scholen en vriendschap op te bouwen met de Belgische bevolking, werd het recht van ‘Politiek vluchteling’ geweigerd. Dit niettegenstaande de vele bewijzen die zij hadden over hun vervolging.

Een verplichte terugkeer naar Syrië staat gelijk met overtreding van art.3 van de Europese Conventie voor de Rechten van de Mens. Het staat vast dat deze mensen bloot staan aan zware straffen die onevenredig zijn met de hen opgelegde verwijten, die gezien hun vlucht uit Syrië, door Syrië als een actie met politieke inslag werd verklaard. Hun saamhorigheid met de christelijke minderheid zal nog meer accent leggen om hen hun vrijheid te ontnemen.
De onevenredigheid van de hun opgelegde straffen kan gaan tot de onmenselijkste en vernederendste zin, waarnaar art.3 van de Europese Conventie voor de Rechten van de Mens heenwijst.

Daar zij nu geen enkel recht hebben in België te blijven en zij niet terug durven naar hun land (dat zij ontvlucht zijn), zijn deze mensen volledig machteloos en zonder bestaansrecht.
Hun toestand is totaal onzeker. Zij hebben geen enkel recht meer op een sociale bijstand en kunnen op geen enkel recht terugvallen.
Het is de solidariteit van de bevolking waaronder zij verblijven die hen te hulp schiet te om overleven, daar zij hen voorzien van de hoogstnodige bestaansmiddelen.

In 1989 heeft minister Wathelet hen een verblijf verzekerd voor een onbeperkte duur, óók aan andere Syrische onderdanen, en hen daarna geplaatst onder dezelfde maatregel: ‘geen rechten en een uitwijzing’, die nimmer werd toegepast.

Op 31 maart j.l. heeft de Administratieve Afgevaardigde voor de Sociale Dienst voor vreemdelingen, de heer Mauro Sbolgi, een brief gericht aan de minister van Binnenlandse Zaken, de heer Johan Vande Lanotte, met de vraag stappen te ondernemen en gelijkwaardige maatregelen te nemen ten voordele van de Syrische christenen.
Tot op heden bleef zijn verzoekschrift zonder antwoord.