In de Rooms-Katholieke kerk is er plaats voor algemene heiligenverering, in het bijzonder voor de Maria devotie en verering. In de protestantse kerken is dit officieel niet toegestaan en sinds de Reformatie ook niet of nauwelijks voorgekomen.
De basis echter voor de heiligenverering in de roomse kerk is de visie op de genade. Tussen de roomse en de protestantse kerk ligt tot op de dag van vandaag een grondverschil in de visie op wat genade is.


Vele christenen in de protestantse en in de roomse kerk stappen hier lichtvaardig over heen. Het probleem is daarmee niet uit de wereld.
Ds. H.J. Hegger gaat in zijn brochure ‘De Rooms-Katholieke heiligenverering in Bijbels licht’ in op de fundamentele verschillen die er nog steeds bestaan in de visie op de genade, ondanks alle welwillend gepraat over en weer.

“Rome en Reformatie geven aan dezelfde woorden soms een totaal andere inhoud. Daardoor ontstaat er vaak verwarring in ‘oecumenische gesprekken’. Men praat gewoon langs elkaar heen en merkt het soms niet eens”.
Dat heeft alles te maken met onkunde over de roomse leer, onbegrip of het bewust of onbewust niet willen weten van deze verschillen.

De bepalingen van het Concilie van Trente inzake de heiligenverering zijn tot op de dag van vandaag nooit herroepen.
Citaat: “Het  is goed en nuttig de heiligen smekend aan te roepen en de toevlucht te nemen tot hun gebeden, invloed en voorspraak om weldaden te verkrijgen voor God door Zijn Zoon, Jezus Christus, onze Heere, die alleen onze Vrijkoper en Zaligmaker is. Degenen die ontkennen dat de heiligen die het eeuwige geluk in de hemel genieten, moeten worden aangeroepen; of die beweren dat zij niet voor de mensen bidden of dat het afgoderij is te vragen dat zij voor ons, ook afzonderlijk, bidden of dat dit in strijd is met het Woord Gods of met de eer van de enige Middelaar tussen God en de mensen, Jezus Christus of dat het dom is hardop of in stilte te bidden tot hen die in de hemel regeren, -houden er een goddeloze mening op na”. (in andere vertalingen: ‘die zij vervloekt’ -anathema est).

Volgens de Reformatie is de genade iets buiten de mens. Volgens Rome is de genade iets binnen in de mens.
Volgens de reformatoren is de genade Gods goedgunstigheid voor zondaren op grond waarvan Hij zijn Zoon gegeven heeft, opdat ieder die in Hem gelooft behouden zal worden.
Theologisch geformuleerd: Genade is dus ook de gerechtigheid van Christus, die een mens van buiten af, enkel langs de weg van het geloof in Christus wordt toegerekend.

Volgens Rome is de genade iets binnen de mens. Ze bestaat daarin dat God de mens zo grondig verandert dat Hij behagen krijgt in die veranderde mens in zichzelf. Rome ontkent hier dat de zonde een verwoestende macht in een mensenleven is.
Hegger: “Wij kunnen onszelf nooit opwerken tot een leven van zuivere liefde tot God en tot de naaste. Altijd blijft bij ons (…) het egoïsme het hele zieleleven doordringen”.
Maar Rome leert dat de mens op grond van goede werken, ook al zitten die steeds half volgestopt met zelfzuchtige bedoelingen ‘waarlijk het eeuwige leven verdient’, (Concilie van Trente, zesde zitting, canon 32).
Rome leert wel bekering, maar na deze bekering kan de mens echte verdiensten bij God vergaren. ‘God heeft zonder meer behagen in zulk een mens, dus los van Christus’.

Door dit grondverschil in de genade worden ook andere dogma’s van Rome begrijpelijker. “Wanneer de genade iets is in de mens, dan kan die genade ook bemiddeld worden door priesters in de sacramenten”. Maar daar volgt dan ook uit dat mensen die heel heilig geleefd hebben, (en dat wordt weer bepaald door andere mensen in de roomse kerk) daardoor op een bijzondere wijze in de gunst van God staan, zodat het verstandig is om hun bemiddeling bij God te vragen. Zo ontstaat de heiligenverering.
“Omdat veel gelovigen te weinig goede werken hebben verricht en te weinig boete hebben gedaan voor hun zonden tijdens dit leven, zullen ze een gedeelte van hun straf nog moeten uitzitten na hun dood in het vagevuur (nog steeds een officieel dogma). Maar omdat de grote heiligen meer goede werken hebben verricht dan nodig was voor de kwijtschelding van hun eigen straffen, volgt daaruit de leer van de aflaat”. (officieel dogma door de vorige paus weer afgestoft en wereldwijd gepropageerd onder de roomse gelovigen).
De aflaat is altijd een van de belangrijkste financiële inkomstenbronnen van de roomse kerk geweest.

De Bijbel leert geen heiligenverering of voorspraak bij heiligen. De apostelen wijzen elke religieuze verering van mensen af, hetzij ze nog leven, hetzij ze reeds gestorven zijn. Nooit worden mensen in de tijd van de apostelen opgeroepen om te bidden tot overledenen. En nergens staat dat er overledenen vereerd moeten worden in de trant van ‘Bidt tot de heilige Petrus’, of ‘Vereer de heilige Moeder Gods’. etc.

Genade is volgens Rome iets binnen in de mens, namelijk de verheffing tot een bovennatuurlijke zijnswijze, waardoor de mens deel krijgt aan Gods natuur.
En dat is weer een vorm van mystiek of ten diepste een vorm van gnostiek.

Hegger: “Volgens de Bijbel kan de mens eenmaal verworven genade niet verliezen, omdat de genade iets is in God zelf. En God verandert niet. Volgens Rome kan de mens de genade wel verliezen, omdat de genade iets is binnen de mens. En al het menselijke is vergankelijk”. “Dat welbehagen van God is volgens Rome gebaseerd op de goede werken van de mens. Daarom heeft God meer welbehagen in de mensen die braver, heiliger hebben geleefd dan de gewone christenen en is het verstandig die ‘heiligen’ aan te roepen, opdat zij tussen God en ons zouden bemiddelen”.
“Heel de heiligenverering is gebouwd op de fantasie van mensen, die zulk een godsdienst voor zichzelf en voor de massa gewild hebben”.
En daarop is dus ook uiteindelijk de eerbiedwaardigverklaring, de zaligverklaring en de heiligverklaring van onder andere pausen gebaseerd.