Volgens de Landelijke Huisartsenvereniging zullen over vier jaar één à twee miljoen Nederlanders geen huisarts hebben. Over acht jaar zelfs minstens vier miljoen. Wat betekent dit voor de toepassing van de Euthanasiewet?

Staatssecretaris Ross van Volksgezondheid zwaaide onlangs veel lof toe aan de auteur van deze wet, mr. Jaap Visser, tijdens zijn afscheidsreceptie op het ministerie van VWS in Den Haag.


Voor zijn werk ontving Visser, die tevens in 1995 als voorzitter van de algemene kerkenraad er in slaagde om de Hervormde en Gereformeerde kerk in Voorschoten te laten fuseren, de benoeming tot Ridder in de Orde van Oranje-Nassau.

Meer dan ooit zou echter nog eens kritisch naar de Euthanasiewet moeten worden gekeken. Eén van de belangrijkste pijlers van deze wet, waarop de toenmalige minister Borst zich bij de verdediging in het parlement voortdurend beriep, was immers de vertrouwensrelatie tussen arts en patiënt.
De patiënt behoeft, behalve in uitzonderingsgevallen, zelfs niet eens schriftelijk om euthanasie te verzoeken. Hoe stelt de wetgever zich dit nu voor, als er niet eens een huisarts is?

Daarbij komt, dat de recherche in een geval van een vermoeden van een strafbare gang van zaken, pas na drie maanden een onderzoek kan instellen. Eerst moet een commissie in die periode eventuele klachten behandelen. Daarna pas kan de officier van justitie aan het werk. En ook dat wekt niet al te veel vertrouwen meer.

De resultaten van daarop gericht wetenschappelijk onderzoek, gepresenteerd op 28 januari 2004 in het boek “Recherche Portret”,  wijzen uit: dat het gespecialiseerde recherchewerk de afgelopen tien jaar verdwenen is. Straatagenten doen bij toerbeurt als rechercheur dienst.
Bij opvallende strafzaken zoekt de korpsleiding het voorts meer in de kwantiteit van het aantal in te zetten agenten dan in de kwaliteit. Het zou goed zijn de verantwoordelijke bewindslieden op deze punten opnieuw hun mening willen geven.