In hoeverre onderscheiden zich Palestijnse vluchtelingen van de overige 135 miljoen vluchtelingen op deze wereld?
Het antwoord: bij elk vluchtelingenprobleem lost zich het probleem van statenloosheid, armoede, verlies van bezittingen en de lichamelijke en geestelijke problemen naar verloop van tijd op.
Vluchtelingen krijgen vaste woonplaatsen, gaan naar jaren weer terug naar huis, integreren in de samenleving waar ze terecht komen of sterven na verloop van tijd.


Zo niet bij de Palestijnen. Voor hen duurt het vluchtelingenprobleem nu al van generatie op generatie hetgeen een steeds grotere bron van onrust en ontevredenheid vormt.

Volgens een recent artikel in The New York Post geschreven door Daniel Pipes, zijn de Verenigde Naties grotendeels schuld aan dit vluchtelingenprobleem.
Er zijn twee VN organisaties die zich met het wereldwijde vluchtelingenprobleem bezighouden: Het VN Hoge Commissariaat voor de Vluchtelingen en de UNRWA (UN Relief and Works Agency).
Het probleem is dat beide VN organen er verschillende definities op na houden betreffende het begrip ‘vluchteling’.

Kort gezegd komt het hierop neer dat volgens het Hoge Commissariaat de kinderen van vluchtelingen geen vluchtelingen meer zijn, zeker niet als de nakomelingen van vluchtelingen in een ander land geboren worden dan het land dat ze ontvlucht zijn.

De UNRWA, speciaal in 1949 voor Palestijnse vluchtelingen opgericht, definieert het begrip vluchteling geheel anders.
De essentie is dat de UNRWA mensen die ‘tussen juni 1946 en mei 1948 in Palestina leefden’, worden beschouwd als vluchtelingen, evenals de kinderen van deze Palestijnse vluchtelingen en diens kinderen.

De definitie die het Hoge Commissariaat hanteert laat naar verloop het vluchtelingenprobleem ophouden te bestaan. Die van de UNRWA zorgt voor een eindeloze voortzetting van het probleem.

Volgens de VN zijn er 726.000 Palestijnse nu levende vluchtelingen, maar volgens wetenschappelijke studies die waarheidsgetrouwer zijn, is het aantal vluchtelingen tussen 420.000 en 539.000. Volgens een bekende demograaf zouden er daarvan slechts ongeveer 200.000 nu nog in leven zijn.
Voor de UNRWA zijn ook mensen die in 1967 Israël gevlucht zijn, officieel vluchtelingen, alsmede hun kinderen en hun kinderen. Dat verhoogt het aantal vluchtelingen tot 4,25 miljoen.

De 200.000 vluchtelingen van nu vormen minder dan 5% van de 4,25 miljoen die volgens de UNRWA bestaan. Met andere woorden, volgens internationale standaarden kan 95% niet als vluchteling beschouwd worden.
Door een vluchtelingenstatus op de Palestijnen te plakken, verlengt de UNRWA juist het probleem en komen de Palestijnen nooit uit hun minderwaardige positie. Er moet een einde komen aan hun zelfmedelijden en zelfbeklag, aldus Pipes.

Ook de Arabische regeringen dragen bij om het Palestijnse vluchtelingenprobleem te continueren, als wapen tegen Israël.
In Libanon bijvoorbeeld leven 400.000 Palestijnse vluchtelingen die aanmerkelijk slechter af zijn dan hun medevluchtelingen in andere Arabische landen.

Het is de hoogste tijd, aldus Pipes, dat deze Palestijnen hun vluchtelingenstatus overboord gooien en volwaardige burgers worden. Zij moeten zelf hun verantwoordelijkheden nemen en aan hun eigen toekomst gaan bouwen.
De UNRWA moet zo snel mogelijk zijn deuren sluiten. Maar dat zal volgens Pipes alleen gebeuren als de Amerikaanse regering erkent dat de praktijken van de UNRWA het Palestijnse vluchtelingenprobleem eindeloos laten voortduren.
Het jaarlijkse budget van de UNRWA van 306 miljoen dollar, wordt voor 40% door de Verenigde Staten betaald.

Diverse Amerikaanse senatoren hebben er inmiddels al voor gepleit de UNRWA te sluiten en haar taken over te dragen aan het Hoge Commissariaat voor de Vluchtelingen. Dat moet voor juni 2005 gebeuren, anders wordt het bestaan van de UNRWA weer met jaren verlengd.

Volgens de uitkomsten van een enquête die gehouden is onder 4500 Palestijnen, wil de overgrote meerderheid in een Palestijnse staat wonen en slechts een kleine minderheid wil in Israël wonen.
Dr. Khalil Shikaki, directeur van het Palestinian Center for Policy and Survey Research in Ramallah, die de enquete hield werd als gevolg van de publicatie van zijn resultaten bedreigd en in zijn kantoor overvallen. Dat was niet naar de zin van bepaalde Palestijnse extremisten.
De minderheid die Israël als hun permanente woonplaats wilde, was slechts 10% van alle geënquêteerden. Zeer opmerkelijk was dat 10% van deze categorie, dus 1% van alle ondervraagden, het staatsburgerschap van Israël en een Israëlisch paspoort ambieerde. Dus 90% van alle ondervraagden geeft de voorkeur aan een Palestijnse nationaliteit en een Palestijns paspoort.
Volgens Shikaki geven de resultaten van de enquête aanleiding tot een win-win situatie: voor de Israëli’s, de Palestijnse Autoriteit en voor de vluchtelingen. De angst van Israël voor een grote vloed van Palestijnse vluchtelingen die de joodse staat ondermijnen, is volgens Shikaki irreëel.
Dat wil overigens niet zeggen dat de Palestijnen zich tevreden stellen met het bestaan van de joodse staat, het zegt alleen dat Palestijnen niet in Israël willen wonen.