“Waar men ook kijkt, aan de grens van de islam hebben moslims moeite om in vrede te leven met hun buren. Uiteraard roept deze stelling de vraag op of de verhoudingen tussen andere beschavingen in de tweede helft van de twintigste eeuw net zo conflictueus zijn geweest als die tussen moslims en niet-moslims. Dat is niet het geval. Islamieten maken ongeveer een vijfde van de wereldbevolking uit, maar in de jaren negentig zijn moslims in veel grotere mate betrokken geweest bij gewelddadigheden tussen bevolkingsgroepen dan mensen uit welke andere beschaving dan ook. Daar is meer dan genoeg bewijsmateriaal voor.”

Samuel Huntington in zijn ‘Botsende beschavingen’ baseert zich op een onderzoek uit 1994 uitgevoerd door Ted Gurr.
Gurr’s onderzoek beperkt zich tot een korte periode. Maar zijn conclusies lijken op te gaan voor de hele geschiedenis waarin de islam een rol heeft gespeeld. Hij spreekt hierbij over de historische neiging van de islam om bij conflicten betrokken te raken.
De islam is vanaf het begin van zijn ontstaan een religie van het zwaard geweest en heeft een krijgersethos verheerlijkt. Onderwerping door middel van geweld was de rode lijn in de veroveringsoorlogen van deze militante godsdienst.

Moslims namen deel aan 26 van de 50 etnopolitieke conflicten tussen 1993 en 1994. “Twintig van deze conflicten vonden plaats tussen groepen uit verschillende beschavingen, waarvan 15 tussen moslims en niet-moslims. Samenvattend waren er drie keer zoveel conflicten tussen beschavingen waar moslims bij betrokken waren dan alle conflicten tussen niet-islamitische beschavingen bij elkaar opgeteld”.
De conflicten binnen de islam waren ook talrijker dan die binnen welke andere beschaving dan ook, inclusief stammenconflicten in Afrika.
Ook het aantal slachtoffers was hoger dan tussen conflicten tussen niet-islamitische landen.

Een onderzoek van de New York Times maakte melding van 48 gebieden waar in 1993 ongeveer 59 etnische conflicten plaatsvonden. In de helft van deze gebieden ging het om gevechten tussen moslims en andere moslims of niet-moslims.
In 31 van de 59 keer ging het om groepen uit verschillende beschavingen en in overeenstemming met Gurrs gegevens vond 2/3 (aantal:21) van deze conflicten plaats tussen moslims en anderen.

In een ander onderzoek uit 1992 meldde Ruth Leger Sivard 29 oorlogen. (gedefinieerd als conflicten die per jaar 1000 of meer levens eisen). In 9 van de 12 oorlogen die tussen verschillende beschavingen plaatsvonden, betrof het moslims tegen niet-moslims. Islamieten vochten in meer oorlogen dan mensen uit andere beschavingen.

Huntington meent “Drie verschillende onderzoeken komen derhalve tot dezelfde conclusie: in de vroege jaren negentig waren moslims bij meer gewelddadigheden betrokken dan niet-moslims dat waren. Tweederde tot driekwart van de oorlogen werden gevoerd tussen moslims en niet-moslims. De grenzen van de islam zijn bebloed, evenals zijn binnengebieden”. In Huntington’s boek worden hier trouwens vele voorbeelden van gegeven.

Ook de islamitische neiging om conflicten met geweld op te lossen, wordt uitgedrukt door de mate waarim moslimlanden gemilitariseerd zijn. “In de jaren tachtig waren zowel de militaire machtsratio’s (de hoeveelheid militairen per duizend inwoners) als de militaire inspanningsindices (de verhouding van de militaire machtsratio tot de rijkdom van het land) van moslimlanden significant hoger dan die van andere landen.
De gemiddelde militaire machtsratio en inspanningsindex van de islamitische landen lagen ongeveer tweemaal zo hoog als die van ‘christelijke’ (westerse) landen”.
Er is dus een verband tussen islamitisch zijn en militarisme. “Islamitische staten hebben in het verleden sterk de neiging gehad om internationale crises met geweld op te willen lossen.

Tussen 1928 en 1979 pasten ze in 76 van de 122 crises waar ze bij betrokken waren geweld toe. In 25 gevallen was het geweld hun voornaamste reactie op de crisis. In de overige 51 gevallen werden daarnaast ook andere middelen toegepast.
Als moslimstaten naar de wapens grepen, ging het vaak om intensief geweld: in 41% van de gevallen betrof het een totale oorlog en in nog eens 38% van de gevallen was er sprake van een grootscheepse confrontatie.
Waar de moslimlanden in 53,3% van hun crisissituaties het geweldsmiddel gebruikten, deed het Verenigd Koninkrijk dat maar in 11,5% van de gevallen, de Verenigde Staten in 17,9% en de voormalige Sovjetunie in 28,5%.
“De oorlogszucht en de hang naar geweld van de islam in de tweede helft van de twintigste eeuw is een feit waar zowel moslims als niet-moslims niet omheen kunnen”.

Huntington: De islam is veeleer een bron van instabiliteit in de wereld omdat het geen aanwijsbaar machtscentrum heeft.
Geen enkele islamitische staat was en is sterk genoeg om de rol van bemiddelaar op zich te kunnen nemen bij conflicten binnen de islam. Geen van hen heeft de autoriteit om namens de islam te spreken bij conflicten tussen islamitische en niet-islamitische groepen.
Ten slotte zijn bevolkingsexplosies in veel van deze landen een natuurlijke bron van (sociale) instabiliteit en geweld, zowel binnen de islam als tegen niet-moslims.