Joseph Farah heeft in zijn “World Net Daily” geschreven over Israël in de branding van de tijd waarin we leven. Hij schrijft, dat het hem niet gemakkelijk wordt gemaakt om Israël te verdedigen tegen de stroom van kritiek van mensen, die sympathiseren met Yasser Arafat en zijn onechte, zogenaamde “Palestijnse agenda”. Hij wordt zelfs met de dood bedreigd, omdat de Arabieren in Israël hun huizen uitgejaagd zouden zijn en gedwongen vluchtelingen te worden, enzovoort. Hij zegt: “Laat dit voor eens en voor altijd duidelijk zijn: De Joden in Israël hebben van niemand land afgepakt.

Toen Mark Twain in de negentiende eeuw het heilige land bezocht, was hij stomverbaasd, dat hij helemaal geen mensen zag. Het gebied, dat wij nu kennen als de staat Israël was praktisch een verlaten gebied. Pas in het begin van de twintigste eeuw begon dat te veranderen. Van over de hele wereld begonnen Joden terug te keren naar het land van hun voorouders – het Beloofde Land van Mozes en Jozua, zo’n paar duizend jaar geleden. In de stad Jeruzalem was in het jaar 1854 2/3 van de bevolking Joods. De bron van dit gegeven is de socialist Kar, Marx, die een reis door het Midden Oosten maakte in opdracht van de “New York Tribune”.

In 1906 was het aantal Arabieren in de stad nog steeds minimaal, schreef Karl Baedeker in een reisgids van dat jaar. Van de 60.000 inwoners waren er 7000 Moslims, 13.000 Christenen en 40.000 Joden. In de twintig jaar daarna nam het aantal Joden snel toe. De Moslims hadden er weinig belangstelling voor, ook al beweren ze dat de stad belangrijk is voor de Islam. De Joden hebben drassige gebieden droog gelegd, woestijnen tot bloei gebracht en welvaart gebracht. Er kwamen Arabieren naartoe, die er werk vonden, in vrijheid. Er kwamen er steeds meer; niemand hield ze tegen. Winston Churchill zei in 1939:

“Verre van vervolgd te worden, zijn de Arabieren aan alle kanten het land binnen gestroomd, hebben zich vermenigvuldigd, en zijn een belangrijk deel van de bevolking geworden”.
Maar toen kwam 1948. De Verenigde Naties stelden voor twee afzonderlijke staten te vormen – een Joodse en een Arabische. De Joden namen het voorstel met beide handen aan. De Arabieren wezen het woedend van de hand en verklaarden de Joden de oorlog. Arabische leiders drongen er bij de Arabieren op aan het gebied te verlaten om niet in de vuurlinie terecht te komen. Ze mochten terugkomen, zeiden ze, zodra Israël was verslagen en de Joden vernietigd.

Het ging anders. Enige honderdduizenden Arabieren werden door de oorlog verplaatst, niet door Israëlische agressie, niet door hun grond af te pakken, niet door uitbreiding van het grondgebied van Israël. In tegendeel. Archiefstukken hebben bewezen, dat de Joden er bij de Arabieren op aandrongen te blijven en met hen in vrede te leven. Maar zij verkozen weg te gaan. Vierenvijftig jaar later wonen de zonen en dochters, en hun kleinkinderen, nog in de vluchtelingenkampen, want zij zijn misbruikt door Arabische politici voor politieke doeleinden.

Die arme mensen hadden in een week tijd onderdak kunnen krijgen in de schatrijke Arabische olielanden, die 99,9 procent van het grondgebied van het Midden-Oosten beheren, maar de leiders houden hen vast als gevangenen, volgegoten met misplaatste haat tegen de Joden, opgehitst om zelfmoordmartelaren te zijn. Dit is de ware geschiedenis. De Joden hebben geen Arabische gezinnen weggejaagd. Bouwgrond hebben ze gekocht en betaald. Ze hebben met grote ijver het land bewerkt.