De grootste synagoge van Europa, in de Dohany straat in de Hongaarse hoofdstad Boedapest, is heropend in aanwezigheid van 3000 hoogwaardigheidsbekleders.
Deze synagoge is 137 jaar geleden in Moorse stijl gebouwd, heeft twee uivormige torens, fraaie mozaïek vloeren met sier­randen van bladgoud en een nieuw pijporgel.

Michael Jordan vertelt in ‘The Jerusalem Post’ (internatio­nal edition), dat de restauratie 9 miljoen Amerikaanse dollars heeft gekost. Er was destijds een bloeiende Joodse gemeen­schap in Boedapest, maar die is door de vervolging tijdens de tweede wereldoorlog drastisch verkleind.
Daarna vermeden de overlevenden alles wat de aandacht kon trekken van de Communisti­sche autoriteiten, vertelt Peter Herz. Ze werden niet vervolgd maar wel bureaucratisch tegenge­werkt. Daar komt langzamer­hand verbetering in, sinds een nieuwe generatie naar voren is gekomen.

“De heropening is niet alleen het herstel van een gebouw, maar een zichtbaar teken van de restauratie van de Joodse geest­kracht”, zegt Robert Toeran, directeur van het Joods museum van Boedapest.
De vroegere eerste minister van Israël, Yitzhak Shamir, en het in Hongarije geboren Amerikaanse Con­greslid Tom Lantos waren hierbij aanwezig.

Er werd de aandacht op gevestigd, dat het gebouw in de jaren 1940-1944 een belangrijke dubbelrol heeft gespeeld. Boven­gronds als verzamelplaats van de Joden, die door de Nazi’s naar de gaskamers werden gestuurd, en ondergronds als schuil­plaats voor vluchte­lingen en verzetsstrijders (zij maakten gebruik van een tunnel, die onder de straten door naar de buitenkant van de stad ging).

Yitzhak Shamir, die al zijn familie-leden verloor in Polen, zei: “Wij gedenken bij deze gelegenheid onze broeders, die zwaar geleden hebben en degenen, die de ‘Boze’ hebben bestre­den. Wij zijn dankbaar, dat degenen die ons haten er niet in zijn geslaagd ons allemaal uit te roeien”.
Van de 800.000 Joden, die er voor de oorlog woonden, werden er 600.000 vermoord (de meesten in Auschwitz).
Er wonen nu 80.000 Joden in de Hongaarse hoofdstad.

Onder druk van Westelijke regeringen heeft het huidige bewind in Hongarije veel gedaan om de relatie met de Joodse gemeen­schap te verbeteren. Zo is het opknappen van de synagoge voor 80% door de regering gefinancierd. (Er zijn ook miljoenen dollars gegeven voor het restaureren van protestantse en roomskatho­lieke kerken) Niet minder dan 250 gestolen Joodse kunstvoor­werpen werden teruggevonden in Roemenië en terugge­bracht naar Boedapest.

Verder heeft de regering een fonds in het leven geroepen voor schadevergoedingen, ter kompensatie van al de van Joden ge­roofde sieraden, schilderijen en andere eigendommen, die spoorloos zijn verdwe­nen; daaronder vallen ook uitbetalingen aan nabestaanden van hen, die niet zijn teruggekeerd uit de vernietigingskampen.

In 1947 had de Hongaarse Communistische regering, bij het ondertekenen van een vredesverdrag in Parijs beloofd, ‘compen­satie-coupons’ te zullen uitreiken, maar in plaats daarvan werd al het particulier bezit door de staat in beslag genomen en daardoor werd de belofte vergeten. In april 1993 bepaalde het hooggerechtshof, dat de Joden geholpen behoorden te wor­den.
Pas twee jaar later, onder druk van Washington en Straatsburg, werd er een begin mee gemaakt en veel verloren tijd ingehaald. De reden is, dat Hongarije graag lid van de Europese Unie wil worden. Dat is toegegeven door Erika Planko van het Hongaarse ministerie van justitie. Een bedrag van 27 miljoen dollar is uitgetrokken voor steun (een pensioen) aan 15.000 overlevenden van de Holocaust (dat is vanaf 74 jaar). Daar de economie in Hongarije er slecht voor staat, kan de overheid zich weinig meer veroorlo­ven.