Vier lokale, invloedrijke bestuurders zitten achter de moord op de drie christenen uit het Turkse Malatya. Dat heeft kroongetuige Metin Dogan op 4 juli tijdens de achtste hoorzitting van de rechtszaak gezegd. Vijf mannen staan terecht, maar volgens de aanklagers zit er een heel complot achter de moord. Het is voor het eerst dat nu namen worden genoemd van mogelijke opdrachtgevers, meldt het Amerikaanse persbureau Compass Direct.

Volgens Dogan gaf voorzitter Burhan Coskun van de ultranationalistische beweging ‘Ulku Ocaklari’ hem opdracht tot de moord. Hij zou gezegd hebben dat de klus met een mes moest worden uitgevoerd. “Anders kon het niet geregeld worden met de politie.” Ook zou Coskun zorgen voor twee helpers. “Als de moord op de christenen achter de rug was, moest ik ook hen ombrengen.”

Nog drie andere mannen zouden de kroongetuige benaderd hebben om de moorden te plegen. Dogan noemde Mehmet Ekici, een plaatselijke politicus van de Nationalistische Bewegings Partij (MHP), Namik Hakan Durhan, een voormalig MHP-lid van het Turkse parlement, en Hikmet Celik, een gepensioneerde generaal majoor. Dogan kreeg echter niet de kans om de moorden zelf uit te voeren. Twee maanden nadat hij contact had gehad met deze mannen werd hij gearresteerd, omdat hij de moordenaar van zijn broer om het leven had gebracht. Hij zit nu een straf uit van 16 jaar, en zegt niet meer bang te zijn voor eventuele wraakacties.

Open Doors woordvoerder Jenö Sebök vindt het “verontrustend” als blijkt dat inderdaad Turkse politici en overheden bij de moord betrokken zijn. “Als dat zo is belooft dat weinig goeds voor de positie van de christelijke minderheid in Turkije.”

Twee van de vier mannen die Dogan tijdens zijn getuigenis noemde, waren aanwezig tijdens de hoorzitting en werden opgeroepen om hun verklaring af te geven. De mannen ontkenden Dogan ooit ontmoet te hebben. De rechtbank heeft een onderzoek gelast naar de betrouwbaarheid van de verklaring van Dogan.

Tijdens de hoorzitting werd er veel heen en weer geschreeuwd door de aanklagers en de advocaten van de verdachten. De advocaten deden er alles aan om vraagtekens te zetten bij de christelijke activiteiten van de slachtoffers. Zo werd er beweerd dat de christelijke uitgeverij banden had met de – in Turkije illegale – Koerdische partij PKK. Vermoedelijk doet de verdediging haar best de publieke opinie te beïnvloeden door christenen in een kwaad daglicht te stellen.