Tijdens de onlangs gehouden Vierde Conferentie over Klimaatverandering van het Heartland Institute was er – naast het verketteren van alarmisten – behoorlijk wat aandacht voor de “tweede orde effecten van de stijging van het CO2-gehalte in de atmosfeer, zoals de verzuring van de oceanen, het verlies aan biodiversiteit en vermindering van opbrengsten in de landbouw.”

Van verschillende kanten, maar toch voornamelijk van het Science & Public Policy Institute (SPPI) en vader en zoon Sherwood en Craig Idso werd materiaal aangedragen waaruit blijkt dat het misschien toch niet zo’n vaart loopt als het IPPC vreest.

Om met het laatste te beginnen, de landbouwproductie. Volgens het IPCC zullen verschuivende neerslagpatronen leiden tot langdurige periodes van droogte, vooral in Afrika bezuiden de Sahara. Afgezien van het feit dat volgens serieuze klimaatexperts als Hans Oerlemans de voorspellende waarde van regionale klimaatmodellen nihil is, valt er ook anderszins wel wat op die suggestie af te dingen. Zoals elke Nederlandse glastuinder kan beamen leidt bemesting met CO2 tot extra plantengroei en hogere opbrengsten.

Uit experimenten, geïnventariseerd door Craig en Sherwood Idso (zie www.co2science.org) blijkt dat een stijging van het CO2-gehalte in de atmosfeer met 300 ppm tot 700 ppm leidt tot een extra opbrengst aan granen met 36 procent; groenten met 45 procent; vruchten met 33 procent en bomen met maar liefst 70 procent. In de afgelopen honderd jaar zouden de opbrengsten van de landbouw al gestegen zijn met ruim 10 procent, dankzij de extra hoeveelheid CO2 die in die periode de lucht in is geblazen door fossiele brandstoffen te verbranden.

Een kanttekening hierbij is dat de studies voor het merendeel betrekking hebben op experimenten in het laboratorium; onder streng gecontroleerde omstandigheden dus.

In de Nederlandse tuinbouwkassen – ook tamelijk gecontroleerde omstandigheden – worden die opbrengstverhogingen lang niet gehaald. Waar Idso & Idso voor tomaten uitkomen op een opbrengstverhoging van 31,9 procent bij een CO2-gehalte van 700 ppm, is een Nederlandse tomatenteler al blij met de helft daarvan. In de volle grond is de extra opbrengst waarschijnlijk nog wat minder.

Die nuancering neemt echter niet weg dat de productie van landbouwgewassen baat heeft bij een stijging van het CO2-gehalte in de atmosfeer. De tegenwerping die daarbij hoort, is dat CO2 niet de enige beperkende factor is voor gewasgroei. Een plant heeft ook andere nutriënten nodig, zoals stikstof en fosfor en moet daarnaast kunnen beschikken over voldoende water.

Op de Heartland-conferentie werden deze bezwaren gepareerd door H. Leighton Steward voorzitter van de non-profit organisatie ‘PlantsNeedCO2’. Vanouds is bekend dat bij een hoger CO2-gehalte de huidmondjes in het blad kleiner worden in omvang en in aantal. Via die huidmondjes neemt de plant niet alleen CO2 op, maar verdampt hij ook water (transpiratie). Minder en kleinere huidmondjes betekent dus minder verdamping, waardoor de sneller groeiende plant juist minder water nodig heeft.

Een bijkomend effect is volgens Leighton Steward, dat de plant, dankzij een beter wortelstelsel, efficiënter omgaat met nutriënten en beter bestand is tegen ziekten en plagen. Zo zou een hoger CO2-gehalte de groei van bacteriën en schimmels in de bodem stimuleren, die planten helpen bij het opnemen van voedingsstoffen en mineralen. Stikstofbindende planten, zoals klaver en lupine leggen bovendien dankzij een verhoogd CO2-gehalte meer stikstof vast in de bodem waar andere planten weer van profiteren.

Hoewel een beetje scepticus ook sceptisch moet zijn over de claims van de sceptici klinkt het verhaal dat hogere CO2-gehaltes leiden tot hogere landbouwopbrengsten plausibel. Het is in ieder geval de moeite waard om het grondig uit te zoeken, omdat de landbouwproductie de komende dertig a veertig jaar moet verdubbelen. Niet alleen omdat de wereldbevolking toeneemt van ruim zes miljard nu tot negen miljard in 2050, maar ook omdat een steeds groter deel van de wereldbevolking welvarender zal worden en bijgevolg meer vlees gaat eten.

Meer CO2 in de atmosfeer is dan ook een ‘blessing in disguise’, vindt Leighton Steward. Hogere opbrengsten per hectare voorkomen namelijk dat nog meer natuurgebieden worden ontgonnen voor agrarische productie. Anders gezegd: iedereen die zich zorgen maakt over de teloorgang van ecosystemen en soorten, zou eigenlijk blij moeten zijn met stijgende CO2-gehaltes.

Volgens het IPCC is de kans groot dat twintig tot dertig procent van alle soorten uitsterft als gevolg van de verwachte opwarming en dat complete ecosystemen verloren gaan. Ook die soep wordt minder heet gegeten dan hij wordt opgediend, stelde Robert Ferguson tijdens de Heartland-conferentie. Ferguson is president van het Science & Public Policy Institute en heeft een lange carrière achter de rug als chef-staf van diverse Republikeinse volksvertegenwoordigers.

Biodiversiteit heeft volgens Ferguson zelfs baat bij opwarming en een hoger CO2-gehalte. Hij verwees daarbij naar een boek van de eerdergenoemde Craig en Sherwood Idso, getiteld: ‘CO2, Global Warming and Species Extinction: Prospects for the Future’, dat eind vorig jaar door het SPPI is uitgebracht. De auteurs gaan daarin uitgebreid in op het onderzoek van Thomas et al, dat in 2004 werd gepubliceerd in Nature en dat de grondslag vormde voor de voorspelling van het IPCC dat 20 a 30 procent van de soorten zal uitsterven.

In het onderzoek wordt de zogeheten ‘klimaat envelop’ van ruim 1100 soorten vastgesteld. De envelop vertegenwoordigt de huidige klimaatomstandigheden waarin de betreffende soort leeft. Als die klimaatomstandigheden veranderen door opwarming dan wordt het gebied met de klimaatenvelop voor de betreffende soort veelal kleiner en vaak zelfs zo klein dat de betreffende soort met uitsterven wordt bedreigd.

Volgens vader en zoon Idso klopt die redenering niet. Bij planten leidt een verhoging van het CO2-gehalte tot het verschuiven van de optimale temperatuur voor fotosynthese naar hogere waarden. Ze gaan met andere woorden niet dood van de hitte, maar profiteren juist van de extra CO2 in de atmosfeer en de bijbehorende warmte. Planten die nu in Nederland voorkomen, blijven gewoon hier voorkomen. Sterker nog, ze breiden zich in noordwaartse (of bergopwaartse) richting uit omdat de klimaatomstandigheden daar voor hen, dankzij de opwarming, ook gunstig geworden zijn. Voor dieren geldt eveneens dat ze hun leefgebied noordwaarts en/of bergopwaarts uitbreiden als het warmer wordt.

De bestaande flora en fauna hoeven niet te lijden onder die uitbreiding. Als voorbeeld noemde Ferguson in zijn lezing de ontwikkeling van de flora in de Zwitserse Alpen. In de periode tussen 1985 en 2003 is die met bijna 50 procent toegenomen, dankzij de opwarming in het hooggebergte. Uit ander onderzoek blijkt dat het aantal broedvogels in en om het meer van Konstanz tussen 1985 en 2000 is toegenomen van 145 tot 154; een toename die is gecorreleerd met de stijging van de temperatuur in de late winter en de vroege lente. In plaats van massaal uitsterven, zoals het IPCC voorspelt, leidt een verhoging van het CO2-gehalte in combinatie met opwarming (waarbij we in het midden laten of er een causaal verband bestaat en zo ja wat oorzaak en gevolg is) tot meer biodiversiteit in plaats van minder.

Tot slot de verzuring van de oceanen. Op de klimaatconferentie van het Heartland Institute lichtte Craig Idso een tipje op van de meta-analyse die hij momenteel uitvoert naar mogelijke gevolgen van verzuring van de oceanen. Tot op heden heeft hij 568 wetenschappelijke experimenten geanalyseerd waarin gekeken is naar het verband tussen zuurgraad (pH) en verschillende aspecten van het leven in oceanen. Zijn conclusie: Als er al een effect is, dan is dat waarschijnlijk positief.

Om te beginnen, zo constateert Idso zal de pH lang niet zo sterk dalen als het IPCC beweert. Waarschijnlijk zal de CO2-concentratie in de atmosfeer nooit hoger worden dan 500 ppm, medio deze eeuw. Daar hoort een pH-verlaging bij van het oceaanwater in de orde van 0,1 tot hooguit 0,3 punten. Veel minder dus dan de 0,5 tot 0,8 die het IPCC voorziet voor de komende eeuwen. De pH van de oceanen ligt met 8,2 overigens ruimschoots in het alkalische gebied- dus hoezo? verzuring. Zou die pH afnemen met 0,1 en zelfs met 0,3 dan valt weinig schade te verwachten.

Uit de meta-analyse blijkt dat een verlaging met 0,3 – overeenkomend met een atmosferische CO2-concentratie van 500 ppm – geen negatieve effecten laat zien; eerder een licht positief effect. Niet heel groot, erkent Idso, maar toch iets heel anders dan de doemverhalen over uitsterven van het leven in de oceanen. De komende maanden worden nog meer studies verwerkt in de meta-analyse. De verzamelde gegevens – en hopelijk nog veel meer – worden voor iedereen toegankelijk gemaakt op Idso’s website www.co2science.org.

Al met al blijkt dat er nog wel wat valt af te dingen op de tweede orde-effecten van CO2-toename en opwarming die het IPCC voorziet. Wat betreft de gevreesde verzuring van de oceanen is het effect van een kleine daling van de pH met 0,1 tot 0,3 punten waarschijnlijk eerder positief dan negatief en kunnen we in navolging van collega Rypke Zeilmaker (climategate.nl) beter spreken van oceaan-fertilisatie. Ook de agrarische productie heeft baat bij hogere CO2-gehaltes, evenals de biodiversiteit. Indirect omdat er minder grond hoeft te worden ontgonnen voor voedselproductie. Direct omdat planten en dieren dankzij de opwarming hun leefgebied kunnen vergroten.

Het belangrijkste bezwaar tegen de doemscenario’s van het IPCC is echter dat we niet weten of er een verband is tussen de stijging van het CO2-gehalte en de waargenomen temperatuurstijging in het laatste kwart van de vorige eeuw. En daarmee dus ook niet of die temperatuurstijging zich zal voortzetten. In dat verband wees Gary Sharpe (www.sharpgary.org) van het Center for Climate/Ocean Resources Study in Salinas, Californië op het cyclische karakter van allerlei ecologische fenomenen.

Zijn leermeester J.D. Isaacs heeft bijvoorbeeld op grond van sedimentkernen een 30-jarige cyclus vastgesteld waarin dan weer de sardines en dan weer de ansjovis de overhand had in de visgebieden voor de Amerikaanse westkust. Ook het komen en gaan van de Pacifische zalm kent een meerjarige cyclus evenals vele andere vissoorten. Die cyclus hangt vermoedelijk samen met de Pacific Decadal Oscillation (PDO) die ook een golflengte heeft van ongeveer dertig jaar. Op zijn beurt hangt de PDO mogelijk weer samen met de activiteit van de zon, vermoedt Sharp.

Sharp: “Hoe het ook zij, als je het effect van klimaatverandering op ecosystemen wil voorspellen, dan begeef je je in het gebied van de ‘fuzzy ecology’. In veel studies naar ecologische effecten is er geen aandacht voor cyclische bewegingen, die zich over langere perioden uitstrekken. Tijd is vaak de ontbrekende factor bij het verklaren van veranderingen.” Hoog tijd dus om daar eens wat meer aandacht aan te besteden.

De conferentie werd georganiseerd door het Heartland Institute. Het Heartland Institute is een in 1984 opgerichte Amerikaanse conservatieve think tank gericht op het ontwikkelen en propageren van een vrije markt economie. Zij zet zich ook af tegen de ‘geijkte waarheden’ die de media dag in dag uit rondstrooien.

Artikel overgenomen en bewerkt van de Klimatosoof, www.klimatosoof.nl