ASHHURST-LIENDEN, Het KNP:
Sinds 1961 woedt er een oorlog in Angola, waardoor duizenden mensen lijden of sterven. Eerst was er een revolutionaire Marxistische beweging tegen de (toen nog) Portugese overheid, daarna (sinds 1975) het vrijheidslievende deel tegen de niet gekozen communistische dictatuur.
Aldus Peter Hammond in ‘Frontline Fellowship’ (Newlands, RSA).

In 1991 zijn 50.000 leden van het Cubaanse communistische leger vertrokken, en daarop volgden twaalf maanden van betrekkelijke rust.
Toen kwamen in 1992 de verkiezingen, onder toezicht van vertegenwoordigers van de Verenigde Naties. De meesten van hen waren Marxistische opvattingen toegedaan. Daardoor konden de communisten naar hartelust gaan saboteren.
Ze lieten het uitlopen op een afslachting van 10.000 opperhoofden van de Bakongo en Ovimboendoe stammen. De anti-communistische UNITA riep op tot gewapend verzet.

In de volgende twee jaar (dus ná de ‘verkiezingen’) stierven meer mensen dan in de voorafgaande dertig jaar.
Kwam het Westen de UNITA te hulp? Nee, integendeel. De fraude en de moorden van de communistische regering werden doodgezwegen of onbelangrijk genoemd. Het Westen ging de slachtoffers boycotten; zij, die de UNITA steunden, werden economisch afgesneden van de rest van de wereld.

Het vrije gedeelte van Angola ontvangt géén voedsel en géén medicijnen. Nog erger: de communistische regering wordt gesteund met wapens, waaronder napalmbommen.
Verlenen van humanitaire hulp (aan het vrije gedeelte van Angola) wordt verboden of tegengewerkt. De grenzen van vrij Angola zijn gesloten en worden zorgvuldig bewaakt door het communistische leger, terwijl troepen van Namibië hulpverlening van hun kant beletten. Elke toegangsweg is afgesloten door grote betonnen blokken met een nauwe doorgang.
Wie probeert verderop over te steken wordt ter plaatse doodgeschoten. Verscheidene vrouwen uit Angola zijn gedood en hun lichamen aan de krokodillen in de rivier gegeven. De vrouwen wilden alleen maar voedsel, zout of slaolie kopen op de markt in Namibië.

In het afgelopen jaar hebben protestantse zendelingen en hun helpers ondanks alles voedsel, medicijnen en bijbels naar vrij Angola gebracht. Vrachtwagens vol worden ‘s nachts door de rivier heen (in grote pakken, die op het hoofd gedragen) naar de zwaar beproefde bevolking getransporteerd.
Leden van de UNITA komen hen halverwege tegemoet, waarbij ze krokodillen, slangen en muskieten moeten ontwijken.

In de meeste dorpen wonen christenen en zij zijn heel dankbaar voor de hulpverlening, georganiseerd door hun geloofsgenoten elders. Veel mensen, die aan malaria dreigden te sterven, zijn hierdoor met Gods hulp geholpen.
Maar zij zullen waarschijnlijk nooit begrijpen waarom de regeringen, van landen in het westelijke deel van de wereld, hen zo schandelijk in de steek hebben gelaten. Op een kleine groep christenen na, die niet zijn vergeten dat we elkaar de helpende hand moeten reiken.