In haar afstudeerscriptie voor de School van Journalistiek in Tilburg beschrijft Femke van Zeijl waarom het Multilateraal Akkoord inzake Investerin­gen (MAI) zo weinig aandacht van de Nederlandse pers heeft gehad, terwijl het toch ging om een hoogst belangrijke aangelegenheid voor Nederland en het Nederlandse bedrijfsleven.


Haar belangrijkste kritiek is niet zozeer tegen het MAI gericht, maar tegen de onkunde en desinteresse van de vaderlandse journalistiek.
De aanzet voor het schrijven van deze scriptie was dat Van Zeijl bemerkte dat in Nederland de nieuwsmedia inzake het verdrag in diep zwijgen gehuld waren, terwijl in Frankrijk de kranten er vol van stonden. Ook vroeg zij zich af waarom dit zo was.

“Het doel van het MAI is het multinationals in den vreemde makkelijker te maken. Het moet een wereldwijd uniform stelsel van regels voor investeringen opleveren”. Grote bedrijven en multinationals ondervinden nu nog hindernis­sen op hun weg: oneerlijke subsidieregelingen, onredelijke regeringseisen, plotselinge onteigeningen etc.
Internationale investeerders moeten garanties van overheden krijgen dat ze met rust gelaten worden. Er mogen geen speciale vestigingsvoorwaarden meer gesteld worden. Ook is het de bedoeling dat er een speciaal tribunaal ingesteld gaat worden waar bedrijven landen kunnen aanklagen die zich niet houden aan de afspraken van het MAI. Miljoenenclaims kunnen zo geëist worden.
Alleen over rechten van de multinationals spreekt het verdrag, over plichten rept het niet. De souvereiniteit van de nationale staat komt in toenemende mate onder druk te staan. Ruim baan voor het internationale monopoliekapita­lisme dus.

De inhoud van de onderhandelingen bleven tot begin 1997 geheim. Toen lekte de ontwerptekst uit en “moesten de onderhandelaars wel in de publiciteit treden, al ging dit niet van harte”. Dat was in Amerika en de ons omringende landen. Er ontstond daar meteen een sterke lobby tegen het MAI.
De media hier ter lande bleef echter rustig doorslapen. Slechts acht (!) artikelen was de totale productie van de Nederlandse pers. Ook de Duitse pers besteedde zeer weinig aandacht aan het MAI. Dat de Franse pers er zo veel aandacht aan besteedde had volgens van Zeijl met culturele redenen te maken, het anti-Amerikaanse sentiment dat leeft in de Franse samenleving.

In haar scriptie laat van Zeijl enkele deskundigen aan het woord: H. de Haan, hoogleraar internationale economie in Groningen en N. Schrijver, hoogleraar internationaal recht in Amsterdam. De een voorstander, de ander tegenstander. Beiden verbaast het niet dat er zo weinig over geschreven is.
Zij verklaren het vanuit de in hun ogen algemene tendens in de Nederlandse journalistiek, dat er aan structurele economische ontwikkelingen weinig aandacht wordt besteed. “De meeste journalisten hebben geen institutionele deskundigheid”. “De Nederlandse journalistiek is vluchtig, ze holt achter de feiten aan, er wordt zo vaak van stoel verwisseld dat de journalist geen tijd heeft om zich echt in te werken”.

Volgens de Haan waren we in de jaren zestig allemaal vreselijk links. “Als het akkoord toen had gespeeld, dan hadden we al menige studentenvergadering erover gehad. Nu horen mensen ‘liberalisering van investeringen’ en dan denken ze het zal allemaal wel goed wezen. Dat zullen journalisten ook wel denken, want het liberale gedachtegoed is nu bon ton, (…) de gemiddel­de journalist is daarmee besmet”. “En er heerst ook een absolute consensusideologie in Nederland: geen of weinig aandacht voor ‘structureel marginalen en radicale alternatievelingen’, dat wil zeggen, mensen die tegen het MAI zijn. Plak er het etiket ‘extremistisch’ op en zo’n groep wordt gedefinieerd vanuit het perspectief van de machtshebbers”.
Een klein groepje actievoerders bestookte de pers met berichten over MAI, maar zij bereikte “zo’n beetje het tegenovergestelde van wat de bedoeling was”. Redacties stelden zich superarrogant op tegenover groepen die zich inzetten voor acties tegen het MAI. Zij worden systematisch genegeerd.

Volgens van Zeijl is de journalistiek de ambassadeur van de heersende ideologie en de krantenpagina’s zijn een afspiegeling daarvan. Er is een verregaande afhankelijkheid van en een blind vertrouwen op de overheid als nieuwsverschaffer. En uiteindelijk zaten de initiatiefnemers van het verdrag niet op publiciteit te wachten. Een maatschappelijke discussie konden ze missen als kiespijn. “Het kwam ze dus prima uit dat de pers zich weinig voor het MAI bleek te interesseren”.

Uitgebreid gaat van Zeijl in op de journalistieke criteria, die bepalen wat nieuwswaardig is en wat niet. Een journalist is net als ieder ander gevormd door een samenstel van factoren: opvoeding, onderwijs, levensovertuiging, sociale omgeving. Al deze factoren zijn van invloed op zijn waarneming van de wereld en vormen zijn mening hierover. Wat hij hierover aan het papier toevertrouwd, is ook daardoor beïnvloed. “Een verslaggever geeft bewust of onbewust zijn wereldbeeld door aan de lezer”. En dat is precies gebeurd met de verslaggeving over het MAI.

Enkele reacties met betrekking tot het MAI; van Zeijl tekent ze op uit de mond van redacteuren van de Nederlandse pers: “Als er daadwerkelijk iets gaat gebeuren, dan gaan wij er pas over schrijven”, “het is een kwestie van prioriteiten”, “onderwerpen over internationale economie hebben geen prioriteit”, “het staat ver van de burger af”, “niet interessant voor de lezer in Nederland”, “er heerst een gezapige consensus in Nederland”, “het is te abstract, we kunnen onze lezers daarmee niet lastigvallen”, “het is niet te relateren aan personen”.
Veelzeggend is ook: “(…) we hebben veel te verliezen als we mensen aan het woord laten die strijden tegen mondialisering, en ook leuk is: er valt nauwelijks een sappig verhaal van te maken”,
Het beste ‘excuus’ is van adjunct-hoofdredacteur economie P. de Hen van Elsevier die juist in zijn hoedanigheid van volksvoorlichter en waakhond van de regering stelt: “Het heeft in Nederland weinig publiciteit gehad, omdat alle handelspolitieke problemen hier weinig publiciteit krijgen. Het is een interessante, maar heel specialistische zaak. De politieke besluitvormers houden het ook graag binnen een klein kringetje van specialisten”.

Van Zeijl ten slotte: “Als de pers al niet eens de moeite wil of kan doen om complexe situaties te ontwarren en uit te leggen, wie moet het dan doen?
In mijn ogen is de journalistiek er juist om deze complexiteit te duiden, orde te scheppen in de chaos en uit te leggen wat ingewikkeld is. Want spreekbuis zijn van de macht, dat is in mijn ogen het tegenovergestelde van de journalis­tieke taak”.