De regering van de voormalige Sovjet-satelliet Mongolië heeft na een korte periode van vrijheid nieuwe wetten aangenomen die christelijke activiteiten sterk moeten inperken. Activiteiten van Boeddhisten vallen niet onder deze wet. De nieuwe wet geeft zelfs een speciale status aan het Boeddhisme in Mongolië. Boeddhistische leiders winnen aan invloed in de binnenlandse politiek van het land.

Hoewel de nieuwe grondwet van 1992 volledige godsdienstvrijheid garandeert, bestaat er een groot wantrouwen bij de circa 2000 christenen in Mongolië. Zij zijn bang dat vele christelijke activiteiten verboden worden, want de nieuwe wetten liegen er niet om. De Mongoolse politie is gelukkig nog niet over gegaan tot arrestatie van de leiders, maar er blijft wel reden om zeer wantrouwend te staan tegenover de nieuwe bepalingen.

Op 30 november vorig jaar heeft het Mongoolse parlement de nieuwe wet aangenomen. (Law of the Mongolian State Concerning Relations with Churches and Monasteries nr. 196/696).
Christelijke activiteiten zullen beperkt moeten blijven tot de kerkgebouwen zelf. Kerkgemeenschappen worden verplicht zich bij de regering aan te melden en de regering bepaalt de standplaats van de kerk en het aantal christelijke werkers in elke gemeente. Alle christelijke activiteiten zijn verboden in openbare instellingen en gebouwen.

Officieel blijft godsdienstvrijheid bestaan, maar bestaande kerken en evangelische gemeentes worden sterk in hun activiteiten beperkt. Bijzonder zijn de dubbelzinnige bepalingen die religieuze activiteiten verbieden gericht ‘tegen de Mongoolse gebruiken en tradities’. Het is altijd zo geweest dat met name dit soort bepalingen in godsdienstwetgeving met volstrekte willekeur gebruikt worden. Een zangdienst of evangelisatiebijeenkomst die plaatsvindt voor het kerkgebouw is volgens de nieuwe wet illegaal en gericht ‘tegen de tradities van Mongolië’.

Het is alleen toegestaan religieus onderricht te geven in kerken en kloosters. Opvallend gelden deze bepalingen niet voor de aanhangers van het Boeddhisme, Islam en het Shamanis-me in hun desbetreffende onderkomens.
Een ieder die een kerk of klooster (bedoeld worden de activiteiten van de Rooms-Katholieke kerk) wil oprichten moet zijn verzoek richten aan de ‘Raad van Vertegenwoordigers van Mongoolse Burgers’. Zij bepalen of er toestemming geven wordt.
Met een toestemming kan de religieuze organisatie in kwestie zich laten registreren bij het Ministerie van Justitie.
Verboden zijn ook de activiteiten van vertegenwoordigers van buitenlandse religieuze organisaties op Mongools grondgebied.

De Mongoolse christenen voelen zich hierdoor bedreigd. Vele van hun samenkomsten worden gehouden in gebouwen die zij eerder van de staat te leen hebben gekregen.
De nieuwe wet bevat ook boetebepalingen. Voor overtredingen van de bepalingen van deze wet kunnen straffen uitgedeeld worden tussen 5000 en 25.000 tugrik. ($14 tot $ 70).

Er breken benauwde tijden aan voor het jonge Mongoolse christendom.