De Kerk van Jezus Christus van de Heiligen der Laatste Dagen, kortweg de Mormonen, is een kerkgenootschap dat ruim 11 miljoen leden wereldwijd telt. Niet alleen groeit de kerk explosief (jaarlijks worden er over de hele wereld 350 kerken gebouwd), ook hun economische macht, met name in Amerika breidt zich steeds verder uit.


In ‘Mormon America – The Power and the Promise’, beschrijven Richard Ostling en Joan Ostling het reilen en zeilen van deze religieuze organisatie en zijn economische macht.

Op politiek gebied hebben de Mormonen hun afgevaardigden in het Congres en andere Amerikaanse overheidsinstellingen. Het boek noemt bekende namen.
De voormalige minister van Landbouw onder president Eisenhower, Ezra Taft Benson, was lid van het hoogste bestuurscollege van de kerk. Ook in de filmwereld, de muziekindustrie en in Hollywood komt men Mormonen tegen. Maar belangrijker is hun economische macht die volledig verweven is met de religieuze macht. De economische middelen worden voor de doelen van de kerk ingezet.

Deseret Industries bijvoorbeeld, is in bezit van de kerk. Zij produceert zeep, ingeblikte vruchten, bonen, noten, spaghettisaus, pindakaas, appels, brood, kaas, melk, pudding, vruchtensappen en boter. De meeste basisproducten komen van landerijen en fabrieken die ook in het bezit van de kerk zijn. In totaal bezit de kerk 87 installaties waar levensmiddelen worden ingeblikt.
De transportmiddelen om de goederen op plaats van bestemming te krijgen zijn in handen van Mormonen.
Kijken wij naar rundvlees: koeien worden gehouden op Mormoons land, ze worden geslacht in Mormoonse abattoirs, ingeblikt in Mormoonse fabrieken en vervoerd door Mormoonse vrachtwagens naar Mormoonse opslagplaatsen.
De levensmiddelen komen bij Mormonen en niet-mormonen terecht. Zo worden vele hulpgoederen naar rampgebieden gestuurd. In totaal 146 landen hebben wel eens Mormoonse hulpgoederen ontvangen.

De totale waarde van productiemiddelen beramen de auteurs op 25 tot 30 miljard dollar. Daarbij komen ook alle aandelen en obligaties (ongeveer 6 miljard dollar) die de kerk bezit, evenals alle onroerende goederen die de Heiligen der Laatste Dagen over heel Amerika in hun bezit hebben, tot aan Israël en Hawaï toe.

Maar dat is nog niet alles. De kerk beheert haar eigen verzekeringsmaatschappijen, ze beheert het op zeven na grootste netwerk van radiostations in Amerika, twee televisiestations, eigen uitgeverijen, een eigen universiteit, 150 ranches en boerderijen, het grootste aardappelproductiebedrijf en uitgebreide landerijen waar sinaasappels en grapefruits verbouwd worden. Opmerkelijk is dat de Mormoonse kerk geen ziekenhuizen meer in bezit heeft.
Als de kerk een Amerikaans bedrijf zou zijn, zou zij op de 243e plaats staan van de bekende Fortune 500 lijst, zo hebben de auteurs berekend.

Het systeem, dat elk lid van de kerk zijn tienden moet betalen, levert de kerk ongeveer 5 miljard dollar per jaar op. De auteurs merken terecht op dat er geen ander kerkgenootschap op aarde bestaat dat zoveel geld binnensleept als de Mormoonse kerk. De kerkleiding in Salt Lake City doet buitengewoon geheimzinnig over de financiële verantwoording, niet alleen naar de eigen leden, maar met name naar buiten toe.

Verder bevat het boek van Richard en Joan Ostling beschrijvingen van de Mormoonse trektocht naar het westen van de Verenigde Staten in de vorige eeuw. Beschreven worden ook de goddelijke openbaringen die de oprichter Joseph Smith kreeg om de polygamie in te stellen, terwijl hij voor die tijd met enkele tientallen vrouwen getrouwd was. De jongste van hen was een 14-jarig meisje. Ostling zegt het niet met zoveel woorden, maar het moet een onverkwikkelijke en kleffe bedoening zijn geweest voor de profeet die de Ware Kerk moest herstellen. De schandalen waren niet van de lucht.

Bijna alle facetten van de Mormonen komen, voor zover dit mogelijk is in een boek van ruim 400 pagina’s, aan bod. Het familieleven, de hiërarchische kerkstructuur met een collectief leiderschap waarvan de gemiddelde leeftijd boven de tachtig ligt. Alleen dit bestuur van twaalf oude mannen hebben weet van alle financiële activiteiten.

Interessant is ook de beschrijving van de strenge regels op de Brigham Young universiteit en de sfeer onder de zendelingen die voor een periode van twee jaar naar Europa of Azië gestuurd worden.
Ze zijn compleet afgesloten van de buitenwereld. Alleen Mormoonse publicaties zijn toegestaan. Kranten lezen wordt sterk afgeraden. Geen radio, geen computergebruik, telefoneren is niet toegestaan (alleen met toestemming van een ‘district functionaris’ en maximaal twee maal per jaar met de ouders). Briefverkeer met de ouders is buitengewoon beperkt. Omgang met het andere geslacht is al helemaal verboden. Kledingsvoorschriften zijn buitengewoon streng.
Ook een partijtje voetbal, baseball of hockey zijn uit den boze. Muziek mag, maar alleen opnames van het Mormon Tabernacle Choir en andere Mormoonse liederen. Er is geen sprake van geestelijke vrijheid. En de jonge Mormoonse zendelingen, die in de meeste gevallen niet ouder dan 25 jaar zijn, laten zich dit allemaal welgevallen.

Maar deze verstikkende sfeer strekt zich ook uit naar andere terreinen.
Kritiek op de leer of op de kerk kan tot afsnijding en uitzetting leiden. De familiedrama’s zijn vaak niet te overzien.
De kerk zet mensen onder druk, is verantwoordelijk voor censuur (pag. 247 ev.), beperkt toegang tot eigen kerkarchieven (pag. 278 ev.), maakt zich schuldig aan geschiedvervalsing (pag. 242 ev.), een algehele verachting en argwaan tegen intellectuelen (pag. 382) en zet eigen historici onder druk om zich te conformeren aan de leer, ook al is deze in flagrante tegenspraak met historische en archeologische feiten (pag. 251 ev., 276, 293, 258 ev.). De gevaarlijkste critici van de Mormoonse leer komen uit de kerk zelf.
Het verhaal van de Mormoonse kerk is volgens de huidige leider Gordon Hinckley ‘een succes story’.