De Zweedse journalist Jonas Gummesson ontmaskert de voormalige Zweedse minister president Olaf Palme als een agent van de Amerikaanse inlichtingendienst CIA.

In zijn boek ‘Among Nazis and Spies: The Youthful Years of Olaf Palme’ toont hij niet alleen gedetailleerd Palme’s geheime nazi contacten aan, maar ook zijn contacten met de CIA, waarmee Palme vanaf zijn beginperiode in de Zweedse politiek, in contact stond. Palme was een van de weinigen die op de hoogte was van de details omtrent het Gladio stay-behind netwerk in het naoorlogse Zweden.


Gladio was een geheim netwerk van onder andere verdekte wapenopslagplaatsen bedoeld om gewapend verzet te plegen tegen een eventuele Sovjet bezetting van West-Europa.
Gladio is in de jaren tachtig en negentig in opspraak geraakt omdat er verbindingen liepen naar fascistische groeperingen en andere minder frisse organisaties.

Het boek van Gummesson onthult hoe de jonge Olaf Palme in een familie van Nazi sympathisanten werd geboren. Zijn oom Ottakar von Knieriem was de Duitse vertegenwoordiger van de Dresdner Bank in Stockholm. Op de lijsten van de Geallieerden stond hij bekend als ‘een gevaarlijke nazi’.
Gummesson bespreekt helaas niet de achtergrond van een andere oom, August von Knieriem, een neef van zijn moeder. August had een topfunctie binnen de chemiegigant IG Farben, de leverancier van het gifgas Zyklon B, bestemd voor Auschwitz.
August von Knieriem inspecteerde aanvankelijk de voortgang van de bouw van het concentratiekamp Auschwitz namens IG Farben.
Ook had August contacten met Standard Oil, het imperium dat opgebouwd is door John D.Rockefeller. August werd in Neurenberg veroordeeld wegens massamoord en oorlogsmisdaden, maar kreeg om duistere redenen vrijspraak.

In 1947 wordt Olaf Palme socialist. Twee jaar later komt hij in een communistisch studentenhuis terecht. In 1950, het hoogtepunt van de koude oorlog, richt hij een internationale anti-communistische studentenorganisatie op. Een jaar later wordt hij lid van de Sociaal-Democratische Studenten Organisatie. Zijn vriend Hagman, die op dat moment voor de Zweedse staatsveiligheidsdienst werkt, zorgt er in hetzelfde jaar voor dat Palme een baantje bij deze dienst krijgt.
Zo kon Palme als informant de Zweedse dienst op de hoogte houden van ontwikkelingen in deze sociaal-democratische organistie.
Als ‘studentenleider’ wordt Palme er op uitgestuurd om informatie te verzamelen. In 1953 wordt hij privé-secretaris van de sociaal-democratische premier Tage Erlander.
Premier Erlander wist niets van de activiteiten van Palme met betrekking tot het Gladio netwerk.

Palme werd gebruikt door de CIA en daar had de CIA uiteraard belang bij. Al die jaren werden de activiteiten van Palme geheim gehouden. Het was in dezelfde tijd waarin Palme ook optrad als een van de vele woordvoerders in het verzet tegen de Vietnam oorlog.
Gummessen’s boek stelt dan ook de terechte vraag hoe het mogelijk was dat iemand die het meest geheime onderdeel van de Navo altijd stilgehouden heeft, tegelijkertijd anti-Amerikaanse Vietnam protesten heeft georganiseerd en tegen Washington streed, eveneens goede vriendjes was met Henry Kissinger.

Hoe kon iemand die toch meer sympathieën voor Moskou dan voor Washington had, voor de CIA werken en tegelijkertijd nucleair vrije zones in Europa propageren, de knevelpolitiek van het Internationaal Monetaire Fonds lopen uitventen en tegelijkertijd vriend zijn van de Derde Wereld. Niemand heeft deze discrepantie ooit scherp opgemerkt.