“De oliebusiness is het laatste maar ook machtigste imperium. Een stille dictatuur noemt men haar weleens, die praktisch het totale energiegebeuren beheerst en dus machtiger is dan iedere politieke macht. De oliebaronnen treden zelden voor het voet­licht. Ze regeren en opereren in de schemering, met een onvoor­stelbare autoriteit en een grote informatieve terughoudendheid”.
Dat is de mening van Godfried Jaeken, schrijver van het boek “Big Oil-van Bagdad tot de Noordzee”.


Het wordt de hoogste tijd, volgens de auteur, “dat mensen beter zouden begrijpen hoe de machtige wereld van het vloeibare goud, binnen en buiten de grenzen, werkelijk functioneert”.

Er is volgens Jaeken sprake van een gesloten cirkel: de oliebusi­ness-overheid-media. “Deze stilzwijgende entente zorgt ervoor dat de cirkel niet of nauwelijks wordt doorbroken”. Daarom is het voor de onderzoeker/journalist moeilijk greep te krijgen op machtsstructuren die met de oliekartels zijn verweven. Dat verklaart ook waarom slechts weinigen goed geinformeerd zijn over het reilen en zeilen van de oliemaatschappijen en hun invloed op de politiek. In vergelijking met de reuzen op de internationale oliemarkt, is menige regering een lachwekkende dwerg.
Hoewel de oliekartels zeer machtig zijn, fabuleuze winsten maken en regeringen onder druk kunnen zetten, profiteert de staat ook van de enorme inkomsten van de oliebusiness. In veel landen is voor de bezitter van een voertuig het bedrag aan belasting op een liter benzine hoger dan de eigenlijke kostprijs.
Achter de prijsbepaling van de olie gaat een hypocriet en cynisch machtsspel schuil, waar maar één regel telt: het geld moet blijven stromen richting de zakken van de oliebaronnen. Niet regeringen bepalen de olieprijs, maar de olieconcerns zelf die ze de regeringen voorschrijft en desnoods opdringt.

Prijsdalingen op de oliemarkt, die prijsverlaging van de benzine tot gevolg zouden moeten hebben, worden niet of nauwe­lijks doorberekend, of pas vele weken later en dan nog gaat het slechts om 1 of 2 cent.
Het is volgens Jaeken een volstrekt ondoorzichtelijke praktijk hoe de prijzen op de oliemarkt worden vastgesteld. “Er is dus een financiële en economische macht aan het werk die alle autoriteit en alle media naar haar hand kan zetten, maar nooit in haar kaarten laat kijken”.
Willy Claes, ex-minister zei ooit in de Belgische senaat “dat je vooral niet moet proberen greep te krijgen op de boekhouding van de olie-multinationals”.
Volgens Jaeken is het “moeilijk te achterhalen welke dossierken­nis de overheden in huis hebben over de olieproblematiek, want ze verschuilen zich meestal achter halve waarheden, mistgordij­nen, uitwijkmanoeuvres en vooral de allesoverheersende betrach­ting om toch maar niet in aanvaring te komen met de oliebusi­ness”. Hoe de olieconcerns met haar geld omgaan is moeilijk te achterhalen, maar volgens Jaeken is de oliebusiness “een internationaal gerenommeerde belastingontduiker”. “Papieren cargo’s worden vele malen verkocht en ingekocht in de maanden vóór aflevering: de laagstgenoteerde deal wordt aan de fiscus opgegeven”. Moederon­dernemingen van olieconcerns bevinden zich vaak in beruchte belastingparadijzen.

Jaeken probeert in zijn boek een misverstand uit de weg te ruimen, nl. dat de prijsstijging van de olie het gevolg zou zijn van een beperkter aanbod op de markt. Dit is volstrekt onwaar.
De westerse oliemaatschappijen en de OPEC zijn in principe elkaars vijanden, ze zijn bezig met een voortdurende strijd om de beheersing van de markt. Prijsdalingen en prijsstijgingen worden als wapen gebruikt om de economische en politieke invloed van de rivaal te beperken.
Het duidelijkste voorbeeld dat dit bevestigde was de Iraakse inval in Koeweit. Meteen had deze invasie spectaculaire prijs­stijgin­gen tot gevolg, “hoewel praktisch geen enkel olietekort optrad of in het verschiet lag”.
De oliebusiness profiteert van bepaalde politieke ontwikkelin­gen en buit ze uit om prijsverhogingen er door heen te drukken. De media mogen het verhaal schrijven dat de oliemaatschappij­en zich “momenteel in een moeilijke periode bevinden”. Ook verhaaltjes dat de reserves nog voor amper enkele jaren zouden volstaan, is een uitnemende taktiek om hogere prijzen aannemelijk te maken. “Doemdenken is voor het grote publiek, de oliefirma’s weten wel beter”, aldus een insider.
Er is sprake van prijsmanipulatie door de grote oliecon­cerns, die gezamenlijke prijsafspraken hebben. Het beleid is om geen commentaar te geven over prijsvorming en marktstrategie.

De belangrijkste oliekartels, Shell, British Petroleum, Esso, Chevron, Mobil Oil, CFP, Texaco, Gulf Oil, Amoco, Atlantic Richfield en Socal beheersen de wereldolie­markt. Deze oliemulti­nationals zijn nauw met elkaar verbonden “van bron tot verbuiker. En dat is nog maar het topje van de ijsberg”.
Westerse oliemaatschappijen zijn overduidelijk present in de Arabische wereld en de Arabische sjeiks hebben in het westen “een onontwarbare kluwen van belangen opgebouwd”. Dat heeft niet alleen gevolgen voor het gevoerde prijzenbeleid van de ruwe olie maar ook voor de oliebevoorrading: door deze belangenverstrenge­ling kan er volgens Jaeken nooit sprake zijn van olieschaar­ste. Middels onderlinge verdragen staat men elkaar bij in tijden van echte problemen.

Naast de oliemultinationals zijn er ook de staatsmaatschap­pijen van de produktielanden met daartussen ontelbare handelaren, chemische concerns, raffinaderijen en afgeleide industrieën, aardgas-en elektriciteitsonderne­mingen (gasprijs is gekoppeld aan de olieprijs!) en internationaal opererende bankinstellingen. Bovendien bestaat er een wereldwijd netwerk van speculatie in olie: London, Tokio, Rotterdam, Hamburg, Parijs, via telex en telefoon verkopen speculanten tankerladingen met olie die ergens ter wereld in een haven liggen te wachten of onderweg zijn. Gemiddeld verwisselt een vracht olie acht maal van eigenaar en dus ook van bestemming.
Willy Claes nogmaals: “De speculatie bevindt zich op alle niveaus. Het kan niet langer ongestraft blijven voortduren dat reuzetankers, totaal gevuld, ergens midden op de oceaan blijven dobberen”. En ex-president Jimmy Carter noemde de oliespeculatie eens “de grootste zwendel in de geschiedenis”. Dit hele conglome­raat runt onderdelen van de wereldecono­mie.