Niet alleen belangrijke politieke ontwikkelingen in de Bondsrepubliek, maar ook beslissingen op hoog politiek niveau zijn beïnvloed door de activiteiten van de Oost-Duitse geheime dienst in West-Duitsland. Met name binnen de media was de geheime dienst bijzonder actief..
Zo kon de Stasi (Ministerium für Staatssicherheit, MfS) op belangrijke momenten de koers mede bepalen in een voor de DDR gunstige richting. De media waren een dankbaar instrument voor beïnvloeding van de publieke opinie in West-Duitsland. Dit heeft een belangrijke invloed gehad op de naoorlogse politiek. Dat is de mening van de historicus Hubertus Knabe in zijn boek ‘Der diskrete Charme der DDR’.

Het vergt nogal wat voorkennis om het boek van Knabe in zijn context te kunnen plaatsen. Kennis van de na-oorlogse Duitse geschiedenis is noodzakelijk, te meer Knabe een klein, doch wellicht belangrijk onderdeel van deze politieke geschiedenis beschrijft: de spionage activiteiten van en de ondermijning door een communistische dictatuur in een land met persvrijheid. Journalisten werden redelijk eenvoudig omgeturnd.
Knabe’s boek is een verslag van de tot nu bekende gevallen waar de Stasi aantoonbaar de West-Duitse media bewerkte. Veel gevallen zijn nog nooit aan het grote publiek onthuld. Het verslag van Knabe heeft met name betrekking op de jaren zestig en zeventig, met een enkele uitloper naar de jaren tachtig. Voor de Stasi  had deze infiltratie een hoge prioriteit.
Toen Knabe ooit meewerkte aan een onderzoeksproject naar de Stasi infiltratie, besloot hij er naderhand een boek aan te wijden. Overigens na tegenwerking van diverse kanten.

Niet alleen de politiek, maar ook de economie, het onderwijs, de linkse studentenoppositie, de kerken, de vredesbeweging van de jaren tachtig, het leger en de West-Duitse geheime diensten waren geïnfiltreerd met Stasi spionnen. Maar in het bijzonder de media.
Er zijn naar schatting 20.000 tot 30.000 West-Duitsers als ‘informele medewerker’ voor de Stasi actief geweest. Veel gevallen zijn nog steeds niet onderzocht, laat staan strafrechtelijk vervolgd. Veel Stasi archieven zijn in de nadagen van het Oost-Duitse regiem vernietigd. Het complete netwerk van westerse Stasihelpers kan waarschijnlijk nooit meer gereconstrueerd worden.

Naast de beschrijving van diverse spionageactiviteiten, is Knabe’s boek ook een beschouwing over de ontwikkeling van het beeld dat westerse journalisten hadden van de DDR en hoe dat beeld gedurende vele jaren steeds sympathieker werd. Dat was enerzijds het resultaat van Stasi activiteiten, anderzijds door het besef dat met de DDR samengewerkt moest worden, net als met elk ander land. Er moest vreedzaam met elkaar worden omgegaan, ‘nachbarschaftliches Zusammenleben’. Daarbij werd aan westerse zijde wel een hele grote welwillendheid aan de dag gelegd. En passant werden door deze opstelling de conservatieve anticommunistische krachten in de Bondsrepubliek verzwakt.

Belangrijkste vijand van het DDR systeem was de Springer pers, waar Knabe een uitvoerige beschrijving aan wijd. Axel Springer met zijn uitgeversimperium, dat pal naast de Berlijnse muur gesitueerd was, kreeg decennialang de volle laag van de Stasi te verduren. De Stasi slaagde er zelfs in op West-Berlijns grondgebied de telefoons van Springer af te luisteren. Springer gold voor de DDR-top als de ‘incarnatie van de klassenvijand’. Springer liet in al zijn publicaties de aanduiding DDR voortdurend met aanhalingstekens afdrukken.

Een compendium van namen van politici, journalisten, conservatieve, sociaal-democratische en linkse journalisten en hun publicaties passeren de revue. Velen hadden vriendschappelijke connecties met Oost-Duitse functionarissen en met leden van de SED (de regeringspartij), sommigen waren zelfs persoonlijk bevriend met hen. Dit alles stond in krasse tegenstelling met het officiële West- en Oost-Duitse beeld van ‘de vijand’, ‘het communistische gevaar uit het oosten’, of ‘de imperialistische en kapitalistische klassenvijand in het westen’.

Het populaire massablad ‘Stern’ spande wat dat betreft de kroon. Vooral de Oost-Duitse machthebbers niet op de staart trappen, was het motto bij ‘Stern’. Knabe spreekt in dit verband van ‘Appeasement-journalisme’.
Linkse en socialistische bladen die de DDR kritiseerden, werden door de Stasi als bijzonder gevaarlijk gecategoriseerd. Het was onverteerbaar voor de SED dat publicaties met grotendeels dezelfde uitgangspunten, het machtsmonopolie van de SED ter discussie stelden. Het Berlijnse blad Tageszeitung (TAZ) kreeg hierdoor nooit een vestigingsvergunning in Oost-Berlijn.

De uitgever van het linkse onthullingblad ‘Geheim’, dat jarenlang toch zeer interessante artikelen publiceerde over activiteiten van de CIA en andere westerse geheime diensten, stond op de loonlijst van de Stasi.
Per publicatie werd er door de Stasi bekeken of er mee samen te werken viel of niet. Dat gold ook voor extreemrechtse en Duits nationalistische organisaties in de jaren vijftig en zestig. Het neutralisme en het anti-Amerikanisme van deze groeperingen werd door de Stasi financieel ondersteund.
Ook werden andere landen zoals Zweden en Nederland door de Stasi gebruikt om bepaalde artikelen te publiceren die dan werden overgenomen door Duitse journalisten, alleen om de herkomst van de informatie betrouwbaarder te doen laten blijken.

De methoden die de Afdeling Desinformatie van de Stasi gebruikte, worden uitvoerig beschreven. Zo probeerde de Stasi talloze malen West-Duitse journalisten te voorzien van compromitterende informatie over hoog geplaatste West-Duitse politici, met het doel de politieke carrière van deze of gene politicus voorgoed te ruïneren. Veelal werd er verwezen naar het bruine verleden. In dit soort acties werd door de Stasi samengewerkt met de Sovjet KGB. Maar ook DDR kritische journalisten konden op warme belangstelling van de Stasi rekenen. De persafdeling van de Oost-Duitse ministerraad werkte nauw samen met de regerende Oost-Duitse SED. De eerste chef van dit persorgaan was in zijn eerdere carrière actief  bij de contraspionage van de Sovjetunie.

In sommige gevallen werden journalisten gechanteerd, hun telefoons afgeluisterd, achtervolgd en in incidentele gevallen ontvoerd, of met een mooi verhaal naar Oost-Berlijn gelokt, daar gearresteerd wegens ‘spionage’, maar weer vrijgelaten als ze voor de Stasi wilde werken. Pesterijen, vooral talloze pesterijen.
Maar in de meeste gevallen kostte de Stasi de rekrutering van een journalist veel tijd, moeite en geld. Het was een uiterst geraffineerd en subtiel spel dat gespeeld moest worden.
Soms lootste de DDR zelf een journalist, onder het mom van een politiek vluchteling, naar het westen die probeerde bij een bekend tijdschrift aan de slag te gaan. In een aantal gevallen kreeg hij dan wel een andere identiteit. Zulke ‘Beeinflussungsagenten’ waren de DDR veel waard.

Westerse correspondenten in Oost-Berlijn werden goed in de gaten gehouden. Daarbij ging de Stasi er bij voorbaat van uit dat het aantal westerse journalisten zo beperkt mogelijk gehouden moest worden. Toelating vond plaats op basis van wederkerigheid. Waren er vijf Oost-Duitse journalisten in Bonn actief, moest het als een privilege gezien worden dat er twintig journalisten in Oost-Berlijn mochten zijn. Vaak werden kosten voor inwoning en verblijf zo omhooggeschroefd, dat kleinere media zich geen eigen correspondent konden permitteren. Ook werd dikwijls een toelating zonder opgaaf van reden geweigerd.
Reizen buiten Oost-Berlijn moesten speciaal worden aangevraagd. Interviews met officials moesten van te voren worden goedgekeurd. Daar kwam nog bij dat de DDR strenge bepalingen kende met betrekking tot staatsvijandige hetze en anti-regeringshetze. Dat hing de aanwezige journalisten voortdurend als een zwaard van Damocles boven het hoofd. Correspondenten en hun instellingen mochten zich ook niet laten opnemen in het telefoonboek van Oost-Berlijn. Oost-Duitse burgers konden eens contact met hen opnemen.

In 1976 liet de chef van de Stasi, Erich Mielke, zelfs een speciale eenheid formeren om westerse journalisten in de gaten te houden.
Onder westerse journalisten in Oost-Berlijn bestond er destijds een grap over het Russische beton waarmee hun onderkomens waren gebouwd: dit beton bestond voor 20% uit cement, voor 30% uit kiezels en voor 50% uit microfoons.

Hubertus Knabe: Der diskrete Charme der DDR – Stasi und Westmedien, Propyläen Verlag, Berlijn, München,  2001,  ISBN 354907137x