De ondankbaarste taak voor een journalist is, zijn leven lang tegen de heersende stroom in te roeien. Een voorbeeld is de Britse journalist Brian Crozier.


‘The Aida Parker Newsletter’ (Auckland Park, RSA) vestigt de aandacht op hem en zijn onvermoeibaar strijden van het verspreiden voor de waarheid tegenover al de valse voorlichting in de media.

Het Londense dagblad ‘The Times’ publiceerde in 1991 eens een portrettengalerij onder de titel ‘Zij hadden gelijk’.
De toelichting werd geschreven door prof.Norman Stone (Oxford University). Hij somde de verdiensten op van een hele rij politici, intellectuelen en journalisten, die door hun werk invloed hadden uitgeoefend op het denken in het Westen over het communisme (met name dat van de S.U.)
De vijf voornaamste waren: president Ronald Reagan, Robert Conquest, Malcolm Muggeridge, George Orwell en Brian Crozier.
Laatstgenoemde had de leiders in het Kremlin telkens weer ontmaskerd als de drijvende krachten bij allerlei vormen van terrorisme en spionage. In de socialistische- en communistische pers werd hij dan ook belasterd en belachelijk gemaakt.

Aida Parker kwam hem voor het eerst tegen tijdens een bezoek aan Carmona (Angola), waar de communisten onder leiding van Holden Roberto vrouwen en kinderen hadden vermoord in electrische zaagmolens. Dat geschiedde met volledige toestemming van het Kremlin, als zijnde een onderdeel van de strijd om dat land te ‘bevrijden’ van de kapitalisten…
Het was het begin van dertig jaar marxistische terreur, waar Rhodesië, Zuid-West Afrika en tenslotte Zuid-Afrika de slachtoffers van zouden worden. Crozier begreep dat van meet af aan, en begon er boeken over te schijven, zoals: ‘The Rebels’, ‘Strategy of Survival’ en ‘We will burry you’.

Hij attendeerde op de genadeloze methoden van de I.R.A. en P.L.O., die er niet voor terugdeins(d)en om onwillige leden met geweld tot de orde te roepen. Het A.N.C. volgde in hun voetspoor en voegde er het mensen verbranden met autobanden en benzine aan toe.
Hij schreef hierover in elk blad, dat bereid was zijn artikelen op te nemen. En dat werden er steeds minder, want zulke publicaties zijn ‘tegen het tij’.

Crozier trok de aandacht. Hij werd de oprichter van een spionagenetwerk dat de naam ‘The 61’ ging voeren. Hij verteld hierover in zijn nieuwste boek ‘Free Agent: The Unseen War, 1941-1991’.
Ontwikkelingen in zijn eigen land brachten hem ertoe ‘iets te doen’. Daar was de socialistische Harold Wilson die zijn Labour Party steeds meer invloed gaf, geholpen door de vakbondsleider Arthur Scargill. Zij wilden een communistische staat scheppen naar Oosteuropees model.
Het ‘Information Research Department’ was opgeheven (onderdeel van het ministerie van Buitenlandse Zaken). In de V.S. had president Jimmy Carter honderden C.I.A.-agenten ontslagen, die de KGB hadden bestreden. De Westduitse inlichtingendienst was geruïneerd door de socialist Willy Brandt.

‘The 61’ gingen doen wat de regeringen nalieten. Crozier bezocht in het voorjaar van 1978 (bijvoorbeeld) de Sjah van Perzië om hem te waarschuwen dat het mis ging voor hem, en dat hij niet op hulp van de C.I.A. hoefde te rekenen. Zes maanden later was de Sjah verdreven….
Van 1979-1989 deden de leden van ‘The 61’ al het mogelijke om de communisten, waar ook ter wereld, de voet dwars te zetten. De kosten kwamen gemiddeld op 1 miljoen dollar per jaar, afkomstig van gefortuneerde vrienden zoals Rupert Murdoch, Sir James Goldsmith en Richard Scaife. Vergelijk daarmee het feit dat het Kremlin 175 miljard dollar (jaarlijks) uittrok voor haar ‘ideologische strijd’ (aldus Edoeard Sjewardnadze in 1990)….

‘The 61’ drong door in de ‘Vredesbewegingen’ van Moskou en ontmaskerde ze als communistische front-organisaties. Crozier werd daarna nog erger uitgescholden en verdacht gemaakt.
Hij werd zelfs voor een rechter gedaagd, maar zijn vrienden bleven hem trouw.