De huidige regering van Australië doet haar uiterste best, het geadopteerde kind in het noorden overeind te houden. Het is duidelijk, dat Papoea-Nieuw-Guinea niet op eigen benen kan staan, ondanks alle raadge­vingen van de Verenigde Naties en de Wereldbank.

Miljarden dol­lars, hoofdzakelijk afkomstig van Australië, zijn het land ingepompt.


Dat geld wordt hoofdzakelijk gebruikt door de ambtenaren van het regeringsap­paraat onder leiding van eerste minister Julius Chan. Dus de levensstandaard van de bevolking blijft op een laag pitje staan.
De grote ondernemingen, die de bossen kappen en de mijnen exploiteren verschaffen enige mensen werk, maar de winsten besteden ze elders.
Aldus Russell Baker in ‘The Bulletin’, Sydney.

Er is een overeenkomst tot stand gekomen, waarin Canberra en Port Moresby verklaren, dat P.N.G. jaarlijks 325 miljoen dollar aan steun zal krijgen, voor zes prioriteiten, waarbij particulier initiatief op de eerste plaats staat. Er moeten veel meer kleine ondernemingen worden gesticht. Verder zal er geld worden besteed aan onderwijs en training, maar ook aan ge­zondheidszorg, vervoer en rechtsple­ging.
Er is een lijstje gemaakt van de plaatsen, waar de hulp het dringendst nodig is. Meer dan tachtig procent van de bevolking woont op ‘het platte land’, waar men overleeft van ‘selectieve landbouw’ (wat vaak neerkomt op wat te eten zoeken) en de verkoop van landbouwpro­dukten.
Minder dan 15% is in loon­dienst. Een uitgebracht rapport beveelt aan, op landbouw gebaseerde bedrijven in belangrijke mate uit te breiden en zoveel mogelijk werkgele­genheid be­schikbaar maken. De economische vooruitzichten zijn veel te gering. Laat men zich niet zo druk maken over het beschermen van de belangen van grote bedrijven; die zorgen wel, dat ze niets te kort komen.

De z.g. ‘informele economie’ (kleine zaken) worden echter door de banken met de nek aangekeken. Ze worden te riskant gevonden om geld aan te lenen; dientengevolge worden vele initiatieven in de kiem gesmoord.
Nu is aanbevolen ‘micro-crediet’ schema’s te ontwerpen met het geld uit Australië, om kleine boeren op de been te helpen. Er moet ook worden gedacht aan de kleine familie-bedrijven en z.g. ‘we helpen onszelf wel’ programma’s in plaatsen waar een financieel ruggesteuntje voldoende is.
‘AusAid’ heeft in het hoog gelegen oostelijke gebied al twee jaar een instelling aan het werk, die de naam draagt: ‘Liklik Dinau/Abitore Trust Micro-Credit’. Met succes. Negentig pro­cent van de verstrekte leningen is terugbetaald binnen de gestelde termijn. Het kantoor staat in Goroka en krijgt een bijkantoor in Kainan­toe.

Als model voor dit ‘micro-crediet’ is men afgegaan op de ervaringen van de ‘Grameen Bank’, die in 1983 werd opgericht in Bangladesh en meer dan een miljoen klanten telt (meestal vrouwen die het land bewerken).
Deze mensen zijn heel arm, maar zien kans 98% van de geleende som op tijd terug te betalen. De stichter, Mohammed Yoennoes, zegt, dat hij heeft gezien, dat in ontwikke­lingslanden te veel wordt gedacht aan werkplaatsen scheppen voor werknemers, in plaats van zelfstandigen te helpen, die veel meer gemoti­veerd zijn.
In zijn land stichten vaak groepjes van vijf of zes vrouwen een bedrijf. Zij werken in fasen, d.w.z. elke volgende lening is hoger dan de vorige. Zij fokken kippen, weven tapij­ten, verhandelen graan en openen winkeltjes.

In P.N.G. is het probleem, dat de ambtenaren die raad moeten geven, zelf zo weinig weten. Garanties van het ‘Small Scale Business Guarantee Fund’ gaan dikwijls verloren in de negen­tien provincies, die het land telt.
Daarom zullen nu leraren opgeleid worden, van de plaatselijke bevolking zelf, die het vertrouwen genieten van hun landgeno­ten. Daarvoor zal Australië zorgen.
De Wereldbank heeft Port Moresby een ultimatum gestuurd, waar­in staat dat P.N.G. ‘her­vormingen’ in haar bestuur moet invoe­ren.