Onlangs stelde de Utrechtse hoogleraar en criminoloog Frank Bovenkerk in zijn oratie bij de aanvaarding van de FORUM-Frank J. Buijs Leerstoel Radicalisering Studies, dat “de overheid zich terughoudend moet opstellen als het gaat om deradicaliseringsprogramma’s. Radicalisering leidt immers niet altijd tot geweld.”
Bovenkerk vraagt zich in zijn oratie af of hoe effectief het deradicaliseringsbeleid is dat de Nederlandse overheid voert, ook wel Dutch Approach genoemd: de brede aanpak. De overheid zet hierbij het maatschappelijk middenveld in om vroeg in te grijpen bij jongeren die dreigen te radicaliseren.

Hoe kunnen terroristen of geradicaliseerden weer in de samenleving worden opgenomen? Bovenkerk vergelijkt verschillende criminele organisaties als politiek terrorisme, de georganiseerde misdaad, jeugdbendes en sektes met elkaar en onderzoekt hoe leden daarvan zich hebben weten los te maken uit de milieus.
De beste crime stoppers zijn, zo leert de ervaring, aldus de criminoloog, samen te vatten in de drie W‘s: werk, woning en wijf. Maar leeftijd speelt ook een rol.
De meeste criminelen houden er rond hun 24ste namelijk mee op. De genoemde criminele organisaties hebben gemeen dat de leden vaak al op jonge leeftijd tot de organisatie toetreden.
Het kan dan gaan om jongeren die aanvankelijk spanning zoeken en die met alternatieve samenlevingsvormen willen experimenteren. Westerse rijke jongeren maken spannende reizen naar Derde Wereldlanden of sluiten zich aan bij een Ashram in India, niet-westerse jongeren gaan naar trainingskampen in Arabische landen of Oost-Afrika. Maar of de jongeren hard core terrorist worden, hangt mede af van het sociale kapitaal dat ze meebrengen: familie, gemeenschap, identiteit en opleiding. Maar soms kan ook een toevalligheid hen doen besluiten om een andere weg te kiezen.
“Dit proces wordt disengagement genoemd. Bij terrorisme spreekt men over deradicalisering. Dit onderscheid is essentieel”, benadrukt Bovenkerk. Bij disengagement maakt het namelijk niet uit wat de misdadiger denkt, als hij maar stopt, terwijl deradicalisering zoals gebruikt in de Dutch Approach gericht is op het veranderen van de radicale ideeën. Het feit dat jongeren eerder ontvankelijk zijn voor radicale ideeën, lijkt te pleiten voor de vroegtijdige aanpak van radicale jongeren, zoals de Dutch Approach voorstaat.

Wat is nu het beste plan van aanpak tegen gewelddadig radicalisme: de drie W‘s of de ‘Dutch Approach‘? Bovenkerk neemt als voorbeeld de Molukse gijzelingen in de vorige eeuw: de laatste terroristische acties gehouden in Nederland, zoals Bovenkerk stelt. De moorden op Pim Fortuyn en Theo van Gogh, ziet Bovenkerk namelijk niet als terrorisme, maar als politieke moorden. Bovenkerk verstaat onder terrorisme: het gebruik van geweld tegenover willekeurige slachtoffers onder burgers met als doel het aanjagen van angst om aldus druk uit te oefenen om een politiek- of ideologisch doel te bereiken.

Dertig Molukse gijzelnemers ondernamen in de jaren ’70 van de vorige eeuw zes terroristische acties. Zes van hen zijn doodgeschoten, de andere 24 kregen lange celstraffen opgelegd, een van hen pleegde zelfmoord in de cel. Het blijkt dat de meesten van hen na de gevangenisstraf hun leven netjes hebben opgepakt; ze zijn gaan werken en een gezin gaan stichten, de drie W‘s dus.
Hoe zijn ze gestopt?
De steun die ze van de Molukse gemeenschap aanvankelijk kregen voor hun RMS-ideaal, een onafhankelijke Molukse staat, raakten ze kwijt. Maar evenzo van belang: het doel van hun actie, internationale aandacht, was bereikt.
Bovendien beschikten de Molukkers over sociaal kapitaal: familie, gemeenschap en identiteit. Opvallend is echter dat 15 van de 22 Molukkers nog altijd actief politiek betrokken zijn.
De radicale ideeën zijn niet verdwenen, alleen; ze gebruiken geen geweld meer.

Een instrument dat Nederland wil inzetten tegen radicalisering van moslimjongeren is de ‘counternarrative’: jihadistische radicalen krijgen weerwoord op hun politieke, morele en religieuze verhaal en op het romantische idee van de dappere strijder.
Bovenkerk vindt daarentegen dat de overheid zich niet in een geloofsovertuiging zou moeten mengen. Dat ze dit toch wil doen, komt omdat voor de Nederlandse overheid uittreden uit de terroristische organisatie niet voldoende is, de overtuiging moet veranderd worden. Dit kan ertoe leiden dat de overheid bijvoorbeeld in discussie gaat over wat de ‘goede’ en wat de ‘slechte’ islam is. Om vele redenen als de vrijheid van meningsuiting, de godsdienstvrijheid, is dit een weg die niet opgegaan zou moeten worden.
De counternarrative-methode gaat er bovendien van uit dat we met een gehersenspoelde fanaticus te doen hebben. Maar is dat wel zo? Veel terroristen zijn allesbehalve gek of labiel.
Bovenkerk verwijst naar socioloog Martijn de Koning die in zijn proefschrift juist pleit voor inleving in de gedachtewereld van de geradicaliseerde. Radicale moslimjongeren wijzen de democratie niet per definitie af, bleek uit zijn onderzoek, maar “gebruiken de islam als kritisch perspectief voor wat zij zien als de uitwassen van democratie.”

Bovenkerk zet zijn vraagtekens bij deradicaliseringsprogramma‘s. Zo bestaat in Saoedi-Arabië een
religieus comité dat samengesteld is uit psychologen en psychiaters en dat aan individuele nazorg doet. De Nederlandse overheid lijkt geïnteresseerd te zijn in deze programma‘s.
“De effectiviteit daarvan is echter nog niet bewezen”, meent Bovenkerk.
Gevangenen uit Guantanamo Bay bijvoorbeeld hebben in Saoedi-Arabië een deradicaliserings-programma gevolgd en kregen een bonus om snel te trouwen mee, maar zijn toch weer in brandhaarden gesignaleerd. Dus de drie W‘s noch een hersenspoelprogramma leverde succes op.

Een ander punt van kritiek dat Bovenkerk in zijn redevoering over het Nederlandse beleid aanstipte was dat in de Dutch Approach de eerstelijnswerkers, van politie tot straathoekwerkers, de verantwoordelijkheid krijgen voor de uitvoering van het beleid zoals het houden van een tegenverhaal met geradicaliseerde moslimjongeren. “Welke specifieke deskundigheid hebben zij om een dergelijk programma uit te voeren? Wat is radicaal?”

Het deradicaliseringsbeleid wordt nu geëvalueerd door mede-iniator van dit beleid, de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding (NCTb), iets wat de onafhankelijkheid niet ten goede komt, zegt Bovenkerk. Het stoort de criminoloog daarenboven dat onder invloed van de AIVD en MIVD radicalisering als een veiligheidsvraagstuk wordt gezien.
Radicaal betekende oorspronkelijk niet meer dan dat bepaalde opvattingen consequent en onverzoenlijk worden volgehouden. Nu, vanuit het perspectief van terreurdreiging, wordt het beschouwd als: het koesteren van ondemocratische middelen om politieke of religieuze opvattingen aan anderen op te dringen met geweld. Maar er bestaat echt ook een pacifistische radicaal. “Radicalen horen er in de democratische rechtsstaat nu eenmaal ook bij.”
Wat Bovenkerk betreft moet de overheid zich niet richten op het ideologisch deradicaliseren maar op het ontmoedigen van het gebruik van geweld, en op gedragsinterventie, want het sociale kapitaal ontbreekt nogal eens bij radicale moslims en rechts radicalen, onder leiding van echte professionals. Maar voor zowel radicale moslims als extreemrechtse jongeren geldt door de bank genomen, net als de eerdergenoemde ‘criminele’ groepen, dat na de heftige tienerjaren, de drie W‘s gelden: werk, woning en wijf.

Recente enquêtes laten zien dat de Nederlandse bevolking een terreurdreiging nog altijd het meest vreest. Dit terwijl deze dreiging op het moment miniem is, zo oordeelde de AIVD in haar laatste rapportage.
In Vrij Nederland constateerde ook Beatrice de Graaf, onderzoeker Terrorisme en Contra-terrorisme aan de Universiteit Leiden/Campus Den Haag, dat er nog geen tweede generatie Hollandse jihadi‘s aan het opstaan is. Samir A. en de leden van de Hofstadgroep lijken weinig steun te krijgen vanuit de moslimgemeenschap.
De Graaf vindt dat overheid en media een belangrijke rol spelen in het al dan niet laten escaleren van terreurdreiging. Het verhaal van de Molukkers, de Rode Jeugd en de RAF is hier niet aaneengesmeed tot één groot doemscenario. “Niet door de overheid, niet door de politieke partijen, niet door de pers.”
Nederlanders waren ten tijde van de Molukse acties veel minder angstig, terwijl er 20 mensen het leven lieten. Nederlanders hadden toen andere vijandbeelden: De Russen of de bom.

Bron:
Artikel overgenomen van:          www.wereldjournalisten.nl/artikel/2010/04/15/frank_bovenkerk_radicale_idee_n_niet_per_se_gevaa/