Sinds 1908 zijn er in het voormalige Nederlands-Oost-Indië van tijd tot tijd, op verschillende plaatsen, oproerige ele­menten aan het werk geweest, maar in 1927 werd het een alle eilanden omvattende beweging door de ‘Partei Nasional Indone­sia’ van de nationaal-socialist Soekarno. Hij ging tijdens de tweede wereldoorlog samenwerken met de Japanse bezetters en na de bevrijding met de communisten.

De gematigde Moslim Soeharto maakte daar een eind aan en bracht grote welvaart in Indonesië, maar communistische acti­visten verenigden zich met een fanatieke stroming onder de Moslims in de hoofdstad Jakarta.
Hierover schreef de journalist Keith Loveard in het Australi­sche weekblad ‘The Bulletin’.

De communisten hebben de studenten van de overbevolkte univer­siteiten voor hun karretje gespannen, die nu elke week een bepaalde dag uitkiezen om de boel op stelten te zetten. Zij stuiten bij hun wilde demonstraties op de politie en het leger, die met name opdracht hebben de regeringsgebouwen te bewaken. Zodoende hebben zij praktisch geen hand uitgestoken om Ambonese christenen en kerken te beschermen tegen de meute. Ook Chinese winkels zijn in vlammen opgegaan.

Het patroon is duidelijk. Wie anti-Moslim of anti-commu­nist is, moet het ontgelden, en de huidige president Habibie en zijn regering staan hen in de weg. Het kan hen kennelijk niets schelen, dat al die rellen mensenlevens kosten. Onder de oproerlingen vallen ook bij elke botsing tientallen gewonden. De politie schiet bij voorkeur met rubberen kogels.
Psychologisch goed getrainde officieren proberen gesprekken te voeren met opgewonden heethoofden. Met veel moeite en geduld komt het soms tot serieuze discussies, die meestal uitlopen op vragen zoals “Wat wil je eigenlijk? Wat denk je met al dit schreeuwen en vechten te bereiken? Zo kun je toch niet einde­loos doorgaan?”. De gemoederen bedaren en de raddraaiers geven zich bloot door ophitsende kreten, waarmee ze uiteindelijk zichzelf belachelijk maken.

Onder de buitenlandse journalisten blijken velen belust te zijn op foto’s van vechtpartijen, maar als er niet genoeg gebeurt, verzinnen ze wel een verhaaltje, waarbij ze niet bestaande personen citeren of de nadruk leggen op wat zij politiek belangrijk vinden.

Er wordt gescholden op de militairen, en met name op gene­raal Wiranto, die de rechterhand is van de president; hij heeft opdracht streng op te treden tegen de oproerkraaiers en de leiders op te sporen en gevangen te nemen.

De dochter van wijlen Soekarno, Megawati Soekarnopoetri, ziet belangstellend toe. Zij is niet langer de leidster van de Partai Demokrasi Indonesia, maar leidt een illegale afge­splitste groep daarvan.

Een groter gevaar voor de regering in Jakarta is op het ogen­blik Abdurrahman Wahid (en zijn Moslim partij Nahdlatul Ulama, die dertig miljoen leden telt), die onlangs door een lichte beroerte is getroffen.
De intellectuelen overigens steunen liever de wetenschappelij­ke politicus Amien Rais, voorheen leider van de Moslim groep Muhammadiah. Hij acht zichzelf in staat, te zijner tijd een nieuwe regering te vormen.
Overigens is de structuur van de regering gevormd naar het model van de Amerikaanse regering, met een congres van 1000 leden en een senaat met 500 leden. In mei 1999 zullen er weer verkiezingen zijn.
De president wordt gekozen voor maximaal twee periodes van vijf jaar, blijkens een gewijzigde wet.
Hooggeplaatste militairen hebben grote invloed gehouden op de dagelijkse  gang van zaken.