Volgens het Britse opinieweekblad The New Statesman verkeert het Royal Institute of International Affairs (RIIA) in grote problemen. Het RIIA, bij insiders beter bekend als het Chatham House, vormt een eliteclub die de Britse regering in haar buitenlandse politiek adviseert.
Het in 1919 opgerichte RIIA, dat zijn onderkomen heeft op het St.James Square in Londen, is een prestigieuze denktank die de Foreign Office van advies voorziet. Het RIIA brengt regeringsver­tegenwoordigers, (ex-) politici en diplomaten, zakenlieden, academici en vertegenwoordigers van de media samen. Het RIIA is nauw met het Britse establishment verbonden.

Er is volgens The New Statesman sprake van incompetent management binnen het RIIA. Dit gaat ten koste van het elitisme en van de doelen die men in de toekomst wil bereiken.
In april van dit jaar trad Timothy Garden af. Garden, een voormalig hoge officier van de Britse Royal Air Force die voor een termijn van vijf jaar was aangesteld, hield het na vijftien maanden echter voor gezien. Hij blijft in zijn functie totdat er een opvolger is gevonden. Maar ook dit blijkt moeilijker dan verwacht.
Eveneens in april schreven vijf van de zes hoofden van het RIIA researchpro­gramma’s een brief naar de voorzitter Lord Wright of Richmond, waarin zij hun bezorgdheid voor de toekomst van het instituut uitten. Twee van de zes zijn inmiddels afgetreden. Hoofdoorzaak van alle problemen is geld.

Toen Garden in januari 1997 directeur werd, zou het instituut, volgens insiders, binnen drie jaar bankroet zijn. Hoewel het Britse bedrijfsleven en banken het RIIA overeind houden, is er sinds het midden van de jaren vijftig geen financiële crisis van deze omvang meer geweest. Een reservefonds is vele jaren geleden al aangesproken.
Reeds in 1987 vielen de inkomsten drastisch lager uit dan verwacht. De afgelopen jaren is er steeds reden geweest voor grote zorgen, waarbij men elkaar de schuld gaf van de financiële problemen.
Onder Garden’s leiding zijn er inmiddels bezuinigingen op het personeel doorgevoerd: vijftien van de vijfentachtig stafleden zijn weggesaneerd, met de bedoeling volgend jaar niet in een financiële minpositie te eindigen.

Politieke insiders menen dat het RIIA zichzelf moet afvragen wat zij voor ogen heeft. Wil het RIIA een elite gentlemen’s club voor een nog kleinere elite van diplomaten en topbeleidsmakers blijven, of moet het RIIA zijn reputatie als respectabele gesprekspartner opvijzelen om mee te kunnen doen aan het politieke debat.

Volgens een woordvoerder van het Foreign Office “produceert het RIIA weinig dat van belang is voor het formuleren van beleid en houdt zich vaak op de vlakte. Het is niet altijd de meest vanzelfsprekende plaats om beleidsadviezen in te winnen”. Inmiddels heeft het Foreign Office zijn eigen denktank opge­richt: het Foreign Policy Centre.

Ook is het RIIA niet meer in staat om met bepaalde facultei­ten van de universiteiten te concurreren. Belangrijke concurren­ten van het RIIA zijn onder andere de London School of Economics en St.Anthony’s in Oxford, faculteiten die steeds meer subsidie krijgen. Het RIIA lijdt inmiddels verlies op zijn publicaties.
Een Britse buitenlandse politiek zonder het RIIA kunnen de aristocraten in de regering zich echter nauwelijks voorstellen.

Uit de jaarverslagen van het RIIA blijkt van de problemen echter weinig. Daar staan de bedrijven vermeldt die het RIIA financieren: Barclays Bank, British Petroleum, Bank of England, Daimler Benz, Credit Suisse, Rothschild, Texaco, New York Times, Lazard Brothers, Anglo-American, Urenco, Warburg, de Russische, Oekraïense, Israëlische, Griekse, Finse en Ierse ambassade en tal van andere banken en multinationals.
Schijnbaar willen ook zij een zinkend schip niet meer te hulp komen.