(Publicatie te Brussel van een verpletterend verslag)

Turkije wordt verplicht de kader-overeenkomst te tekenen omtrent de bescherming van de nationale minderheden en de rechten te erkennen van personen die tot etnische en godsdienstige minderheden behoren. Dit moet, indien dit land zijn plaats wenst te behouden in de gemeenschap van de Europese landen en indien het een redelijke hoop wil bewaren om ooit zijn plaats te krijgen in de E.U.


Drie gebeurtenissen moeten voor Turkije alarmsignalen zijn, aangezien het al vaak aan de schandpaal werd gespijkerd wegens zijn slechte resultaten op het gebied van de mensenrechten: Ten eerste de opschorting van de voorbereidingen van het Europees Festival ‘Europalia-Turkije’ die in Brussel in 1996 moest plaatsvinden, ten tweede de zich steeds maar opstapelende moeilijkheden om de doauneaccoorden met de E.U. er in extremis toch door te krijgen, en ten derde de vraag, uitgaande van de socialistische groep in het Europees Parlement, tot uitsluiting van Turkije uit de Raad van Europa.

Tot daar de waarschuwing die senator Willy Kuijpers uitspreekt op de persmededeling die hij hield op 24 maart 1995 in het Belgische Parlement bij gelegenheid van de publicatie door ‘Mensenrechten Zonder Grenzen’ van het rapport ‘La Turquie face à ees minoritée’ (Turkije oog in oog met zijn minderheden).
Deze organisatie doet, voor het jaar 1994, een verbijsterende vaststelling:

– Duizenden doden en gewonden in de oorlog die woedt in het Zuid-Oosten van Turkije;
– honderden Koerdische en christelijke dorpen en gehuchten die met de grond worden gelijkgemaakt en/of platgebrand;
– talrijke gevallen van verdwijningen, schakingen, folteringen, verminkingen door landmijnen en moorden van personen die behoren tot etnische en godsdienstige minderheden;
– Duizenden families van Koerden, Assyriërs, Armameërs en Armeniërs, die op zoek zijn naar politiek asiel in een van de E.U.-landen;
– Honderden plaatsen en monumenten, behorend tot het historisch, architecturaal, artistiek, godsdienstig en cultureel patrimonium van die minderheden, die gevaar lopen te verdwijnen.

In dit rapport van 44 bladzijden, vergezeld van talrijke illustraties, geeft ‘Mensenrechten Zonder Grenzen’ het woord aan specialisten en aan leden van de Koerdische, Aramese, Assyrische, Armeense en Griekse minderheden. Verschillende delen van dit rapport, gesteund door senator Kuijpers, werden opgesteld door Dogan Özgüden hoofdredacteur van ‘Info-Turk’, door Pervine Jamil, voorzitter van het ‘Koerdisch Instituut’ te Brussel, door claude Selie, Oriëntalist, door Panayote Elias Dimitras, woordvoerder van ‘Greek Helsinki Monitor’ en door Christine Flamand.

Het rapport beschrijft talrijke gevallen van schending van de mensenrechten door de Turkse autoriteiten gedurende de laatste twee jaar tegen vijf van de dertig minderheden die de organisatie in Turkije onderscheidt. Inleidingen en eigen historische verduidelijkingen dragen bij tot een beter begrip van de huidige toestand van de christelijke minderheden.

Daarbij doet ‘Mensenrechten Zonder Grenzen’ de volgende aanbevelingen: Regelmatig dient een balans te worden gemaakt, bestemd voor het Europees Parlement, de Raad van Europa, het Europees gerechtshof enz. met betrekking op het eerbiedigen van de fundamentele mensenrechten, in bijzonder van mensen die behoren tot etnische en religieuze minderheden.
Die balans dient vervolgens door te wegen in de ontwikkelde relaties tussen de E.U. en Turkije. Inderdaad, de groeiende integratie in de E.U. (douaneaccoorden..) eist van dit land dat het zijn verschillende wetgevingen en zijn praktijken i.v.m. de mensenrechten en , in het bijzonder, met de religieuze vrijheid in overeenstemming brengt met de Europese Conventie.

Bij wijze van besluit richt ‘Mensenrechten Zonder Grenzen’ tot de Turkse autoriteiten een aantal aanbevelingen op het gebied van de fundamentele rechten, vrijheden, meer bepaald op dat van de cultuur en de opvoeding, van de vrijheid van taal en van godsdienst.
De mensenrechtenorganisatie vraagt namelijk voor de leden van de religieuze minderheden het recht hun eigen godsdienst openlijk te kunnen manifesteren en uit te oefenen, hun religieuze gebouwen te kunnen restaureren en vergroten zonder hindernis en discriminatie.