Tot 16 augustus a.s. is in het Amsterdamse Tropenmuseum de tentoonstelling ‘Van Siberië tot Cyberspace’ te bezichtigen. Volgens Daan van Kampenhout, kenner van het sjamanisme, biedt de tentoonstelling meer dan een collectie levenloze voorwerpen. “Oude rituele objecten, in musea te zien, kunnen na vele jaren nog steeds worden bewoond door de geesten die er oorspronkelijk mee verbonden waren”. De tentoonstelling, die is opgebouwd als een sjamanistische trancereis, compleet met een brug en een wenteltrap, bevat exponaten afkomstig van het etnografisch museum in St.Petersburg.


Het juni nummer van het blad MUG (maandblad voor uitkeringsge­rechtigden), publiceerde een interview met van Kampenhout, schrijver van een handboek over sjamanisme.

Halverwege de jaren tachtig toen de New Age beweging een massastroming werd, kreeg ook het sjamanisme meer bekendheid. Een sjamaan is een soort medicijnman uit Siberië die in trancetoe­stand communiceert met geesten die invloed uitoefe­nen op de mensen. Hij onderneemt een zielenreis en wordt daarbij bijgestaan door hulpgeesten en met kracht geladen voorwerpen. Hij treedt op als genezer, adviseur en waarzegger.

Volgens van Kampenhout zijn veel objecten in het museum levend, ieder traditioneel voorwerp is ooit ritueel ingewijd. Het heeft door het gebruik een zelfstandige kracht en identiteit verworven. In veel voorwerpen huizen specifieke spirituele krachten, zoals van dieren, voorouders en hulpgeesten. Bij de exponaten in Amsterdam gaat het vaak om stukken die geroofd zijn door missionarissen en wetenschappelijk onderzoekers, later door de Sovjets.
Veel krachtvoorwerpen verliezen volgens van Kampenhout na verloop van jaren vanzelf hun kracht. “De hulpgeesten zijn alleen door specifieke rituelen te bewegen om met het voorwerp verbonden te blijven. Als een voorwerp jaren op non-actief staat, zullen sommige bijbehorende krachten het op een gegeven moment voor gezien houden en vertrekken. Helpers kunnen in slaap vallen en worden alleen actief als iemand met de juiste rituelen de wekker in de andere wereld laat afgaan. Een klein deel van de helpers blijft min of meer aandachtig en kan na tientallen of zelfs honderden jaren nog steeds wachten op informatie over wat er verder van hem of haar wordt verwacht”.

Volgens van Kampenhout komt het overigens zelden voor dat een bezoeker van een tentoonstelling waarin zulk materiaal staat, de hulpgeesten zal opmerken die met de objecten verbonden zijn. “De helpers leven niet in de fysieke wereld, maar in een andere realiteit, en je kunt die realiteit alleen waarnemen als je daarvoor hebt getraind. Andersom werkt het ook zo: de nog aanwezige hulpgeesten merken de bezoekers van de tentoonstelling ook niet op”.

Die training is belangrijk: “Het zijn altijd de gemeenschap en de oudere sjamanen die bepalen dat iemand sjamaan is. En het zijn de spirits die hun keuze laten vallen op een bepaald persoon. Als ze dat doen, blijkt dat meteen omdat je genezende krachten hebt die door niemand ontkend kunnen worden. In Siberië kan het tot twintig jaar duren voordat je volgens de traditionele sjamanen echt volleerd bent. Maar de benzine in de motor zijn toch de spirits, anders kom je als sjamaan echt niet vooruit”.

De verklaring van Kampenhout is veelzeggend. Het is tegelijker­tijd een waarschuwing aan een ieder die in een ver land cultische voorwerpen als souvenir koopt en thuis tot de conclusie komt dat er occulte krachten in het voorwerp huizen.