December vorig jaar stierf de plaatsvervangend directeur van de Amerikaanse geheime dienst CIA, Theodore G. Shackley.
In de pers was er nauwelijks aandacht aan dit feit. Dat had misschien te maken met het feit dat Shackley de afgelopen twintig jaar nauwelijks een rol van betekenis heeft gespeeld.  Zijn activiteiten bereikten hun hoogtepunt halverwege de jaren vijftig tot midden jaren zeventig. In vele ‘dirty tricks’ van de CIA speelde Shackley een belangrijke rol, zo niet de hoofdrol.

In de jaren vijftig begon Shackley zijn CIA carrière in Berlijn. Daar moest hij acties van de Russen en de Oost-Duitsers in de gaten houden.
Zijn opmerkelijkste wapenfeiten waren, samen met Robert Kennedy en leidende figuren van de Amerikaanse maffia, pogingen om de Cubaanse leider Fidel Castro uit de weg te ruimen. In totaal ging het om 33 moordaanslagen die allemaal mislukten.
Ten tijde van de Cuba crisis was Shackley hoofd van de CIA-afdeling in Miami, de grootste ‘covert operations’ afdeling op Amerikaans grondgebied. Shackley runde hier 400 CIA agenten die in totaal 2000 agenten onder zich hadden.
Zijn Miami bureau, met de codenaam JMWAVE, had de beschikking over vliegtuigen, kleine schepen, speedboten en amfibievoertuigen bestemd voor een invasie op de Cubaanse kust. Hij opereerde vanaf het terrein van de universiteit van Miami. Shackley en zijn medestrijders waren geobsedeerd door Castro.

Na de mislukte invasie van de Varkensbaai door Amerikaanse troepen in 1961, zinde Shackley op wraak. Als leider van Operatie Mongoose moest alles op alles gezet worden om Fidel Castro nu definitief uit de weg te ruimen.
Zo werden Johnny Roselli, lid van de maffia bende van Al Capone, en Sam Giancana, de maffiabaas van Chicago, door Shackley ingehuurd om als huurmoordenaar Castro uit te schakelen. Ook dat mislukte.

Vergiftigde sigaren, een zeeschelp met een bom erin die werd geplaatst op een favoriete duikplaats van Castro. Ook werd geprobeerd om zijn kleren te besmetten met tuberculose bacillen, of een balpen met een giftige injectienaald die hem van dichtbij ingespoten zou moeten worden.
Shackley werkte nauw samen met ene Felix Rodriguez, een CIA agent die in de jaren tachtig opdook als een van de hoofdrolspelers in het Iran Contra schandaal.

Na de moord op John F. Kennedy in 1963, waren er geen verdere aanslagen meer tegen Castro. Er waren destijds geruchten dat de moord op Kennedy een wraakactie van de Cubanen was om Operatie Mongoose betaald te zetten.

Na zijn activiteiten in Miami werd hij in 1966 overgeplaatst naar de hoofdstad van Laos, Vientiane. Daar zette hij als CIA station chief een geheime oorlog op touw tegen de communistische Vietcong.
Samen met een aantal Zuidoost Aziatische opiumbaronnen bewapende hij Laotiaanse krijgsheren, die de aanvoerlijnen  van de Vietcong moesten vernietigen en belangrijke Vietcong leiders moesten uitschakelen. Daar kwamen ook veel Vietnamese burgers bij om. Shackley zat midden tussen de opiumhandelaren. Van de opbrengsten werden weer nieuwe wapens gekocht, dat was ‘covert operations’.

In december 1968 werd hij benoemd tot CIA chef in Saigon om daar de Operatie Phoenix op te zetten, een operatie die tienduizenden mensenlevens kostte. Daar werkte hij opnieuw samen met Felix Rodriguez en met John Singlaub, later hoofd van de World Anticommunist League en met Oliver North en wapenhandelaar Richard Secord, beide hoofdaangeklaagden in het Iran Contra schandaal.

Eind zestiger jaren verbleef Shackley korte tijd in Rome. In die periode werd in Italië het geheime stay behind netwerk Gladio uitgebouwd. Shackley had contacten met Navo officieren en hooggeplaatsten binnen de Italiaanse geheime dienst. Personen wiens namen later op de ledenlijsten van de illegale en subversieve vrijmetselaarsloge P2 bleken te staan.

Na de Vietnam oorlog hielp Shackley mee om president Salvador Allende van Chili omver te werpen.
In 1976 toen George Bush directeur van de CIA werd, benoemde hij Shackley tot directeur van de afdeling die zich bezig hielde met de coördinatie van wereldwijde ‘covert operations’.
Het had weinig gescheeld of Shackley was directeur van de CIA geworden als Gerald Ford de verkiezingen zou winnen.
Echter, niet Ford, maar Jimmy Carter won en admiraal Stansfield Turner werd de nieuwe CIA directeur en ontmantelde grote delen van de afdeling ‘covert operations’. Deze slag is Shackley niet meer te boven gekomen. In 1979 en 1980, in zijn functie als lid van de Defense Intelligence Agency, de militaire inlichtingendienst, schreef Shackley zowaar nog enkele speeches voor George Bush’s verkiezingscampagne.
Maar George Bush had Shackley ook nodig voor wat minder frisse zaakjes.

Nog een keer deed Shackley van zich spreken en dat was tijdens het Iran Contra schandaal. De CIA speelde daarin een belangrijke rol, met name het hechte netwerk van intimi die zich ‘The Enterprise’ noemde en waarvan Shackley deel uitmaakte.
Op 9 december vorig jaar stierf hij op 75-jarige leeftijd aan kanker.