De afgelopen dertig jaar hebben de Europese landen en de Verenigde Staten een flink aantal Afrikaanse landen gebruikt voor het dumpen van industrieël en huishoudelijk afval. Dit met medeweten en instemming van de desbetreffende Afrikaanse regeringen.
De westerse landen willen hun kosten voor het recyclen van hun industriële bijproducten zo laag mogelijk houden.

Veel Afrikaanse landen zitten in de wurggreep van de westerse schuldenlast en de armoede. Zodoende worden zij aangetrokken door de mogelijke financiële winsten die het dumpen van allerlei afval met zich meebrengt.
In sommige gevallen gaat het om winsten die het bruto binnenlands product van vele Afrikaanse landen overschrijden. Het dumpen van toxisch afval brengt echter zeer ernstige milieu- en gezondheidsproblemen met zich mee, waarvan de Afrikanen zich onvoldoende bewust zijn. Ook hebben zij niet de nodige geldmiddelen, kennis en milieuwetgeving om deze problemen op te lossen.

In 1987 nam de Verenigde Naties enkele resoluties en richtlijnen aan om internationaal transport van afval beter onder controle te krijgen, aan banden te leggen en om uiteindelijk het wereldafvalprobleem op te lossen.
Ook de Organisatie voor Afrikaanse Staten (OAS) nam een resolutie aan, maar intussen draait de afvalindustrie richting Afrika gewoon door. Met name gevaarlijk afval (chemisch en toxisch) wordt clandestien verscheept naar de uitgestrekte gebieden op het Afrikaanse continent. Afrika blijft aantrekkelijk wegens de lage kosten voor de verbranding van de afval en het gebrek aan lokale regelgeving inzake milieuwetgeving.

De nood aan harde valuta en de hebzucht van Afrikaanse zakenlui die in korte tijd veel geld willen verdienen, spelen een belangrijke rol in de afvalindustrie.
In Benin, Nigeria en Somalië tekenen individuele zakenlui contracten om afval in te voeren tegen een fractie van de recyclingkosten in de rijke industrielanden. Zowel de export- als de importlanden waren hierbij in overtreding met de internationale verdragen die ze geratificeerd hadden.
Het blijkt bijvoorbeeld dat bepaalde westerse landen onbeheerde en naamloze schepen, vaak complete roestbakken die rijp zijn voor de sloop, simpelweg in de territoriale wateren van een aantal Afrikaanse landen dumpen. Diverse landen hebben hier bij westerse regeringen over geklaagd.

De grootste boeven echter zitten in Somalië en Italië.
Somalië blijkt al meer dan dertig jaar de meest aantrekkelijke illegale stortplaats van de wereld te zijn. Strategisch goed gelegen met een kustlengte van 3300 kilometer die nauwelijks is te controleren.

Begin jaren zeventig verschenen de eerste rapporten over illegale deals tussen Afrikaanse landen en bedrijven in de Verenigde Staten, Frankrijk, Duitsland, Groot-Brittannië, Zwitserland, Italië en de vroegere Sovjetunie.
Makelaars van dit afval opereren vanuit Gibraltar, het eiland Man en Liechtenstein. Er wordt massaal geknoeid met eindbestemmingen van schepen en met vrachtbrieven.
In het geval van Somalië kwamen de eerste onthullingen begin jaren negentig aan het daglicht.
De Somalische krijgsheer Ali Mahdi aanvaardde, tegen betaling van 80 miljoen dollar op zijn persoonlijke bankrekening, tien miljoen ton gif op zijn grondgebied, dat is 8 dollar per ton.
De lokale bevolking en de vissers in de dorpen waren niet op de hoogte van deze gevaren.

In 2001 publiceerde Greenpeace een rapport in verband met de afvallozing van het Zwitserse Oceanic Disposal Management (ODM), een bedrijf dat zich specialiseert in het offshore dumpen van kernafval.
Legale afvalbedrijven die deel uitmaken van grote ondernemingen zoals Societé Generale des Eaux en Lyonnaise des Eaux verkochten hun afval aan ODM die het dan doorverkocht aan de Siciliaanse Cosa Nostra.
De betrokkenheid van de georganiseerde misdaad in de afvalhandel is allang bekend en is een ernstig obstakel in het bestrijden van het probleem.

Italië kampt met een gigantisch afvalprobleem. Jaarlijks produceert het land 40 tot 50 miljoen ton industrieël afval en 16 miljoen ton huishoudelijk afval. Dit is alleen nog maar Italië. Het gaat om onvoorstelbare hoeveelheden afval gemeten over de hele Europese Unie.

Het is daarom niet moeilijk voor te stellen dat een land, waar de maffia al meer dan 100 jaar de touwtjes in handen heeft, zich ook gestort heeft op de illegale handel in afval.
In 1998 concludeerde een Italiaanse parlementaire onderzoekscommissie dat deze ecomaffia bedrijven leidt die 35 miljoen ton afval per jaar verhandelen en daarbij een winst van 6,6 miljoen dollar maken.
De 158 Italiaanse families die deel uitmaken van de ecomaffia beschikken over en arsenaal aan kennis om de milieudiensten te omzeilen.
Certificaten worden massaal vervalst, transportvergunningen voor het vervoer van toxisch afval worden gewijzigd zodat het van de ene regio naar de andere regio getransporteerd kan worden. Het afval wordt in de eerste instantie gedumpt op bouwterreinen, in beschermde natuurgebieden, rivieren en ravijnen, op boerderijen in Italië en in de Middellandse Zee. Volgens het rapport controleert de maffia 30% van de Italiaanse afvalverwerkende industrie. Italië is mijlen achterop in vergelijking met de rest van de landen van de Europese Unie in de bestrijding van deze wanpraktijken.
Jaarlijks verdwijnt ongeveer 11 miljoen ton industrieël afval. Dat is de hoeveelheid afval die door de bedrijven wordt geproduceerd en waarvan de verwerking niet door officiële afvalverwerkingsbedrijven wordt gedaan. Italië is de belangrijkste uitvoerder van afval naar Afrika. Tot op de dag van vandaag.
Van alle resoluties, conventies, verdragen e.d. is nog weinig terecht gekomen.

Bron: de Uitpers (Belgie)