De huidige crisis in Birma (Myanmar) heeft alles te maken met chantage-acties van het Internationale Monetaire Fonds. Maar ook westerse multinationals die in het land actief zijn en internationale oliemaatschappijen die grote belangen hebben bij de exploitatie van energiebronnen in het land spelen een belangrijke rol. Het land is een speelbal tussen de regionale grootmachten en de geopolitieke aspiraties van de Verenigde Staten.


Hoewel in de internationale pers aan deze aspecten nauwelijks aandacht wordt besteed, is de huidige crisis in het Aziatische land niet begrijpelijk als men deze factoren buiten beschouwing laat. Bepaalde westerse organisaties spelen hier een cynisch machtsspel, met het doel een regiem in het zadel te houden dat hun financiële en economische belangen  beschermt. Ook het regiem in Birma pikt hier zelf een graantje van mee. Het IMF en een aantal mensenrechtengroeperingen hebben in deze crisis andere belangen dan bij voorbeeld westerse oliemaatschappijen.

De crisis begon toen de Birmese regering op 15 augustus jl. prijsverhogingen voor consumptie-goederen, benzine en dieselbrandstof afkondigde. In sommige gevallen een vervijfvoudiging. Meteen werden de tarieven van openbaar vervoer verhoogd en ook de basisbehoeften werden fors duurder. Protesten waren het gevolg.
Wat de internationale pers niet of nauwelijks vertelde was dat de prijsverhogingen het gevolg waren van druk van het IMF op de Birmese regering om de schulden af te betalen die het land heeft. En die schuld is groot.
Het Thaise dagblad The Nation meldde op 27 augustus dat het IMF de Birmese regering “geadviseerd” had de subsidies op gebruiksgoederen op te heffen en de economie en het belastingsysteem te moderniseren.
Dit zijn standaardmethoden van het IMF die iedere keer weer uit de kast gehaald worden en die de afgelopen decennia telkens in de Derde Wereld met succes beproefd zijn, in Indonesië en in tal van Afrikaanse en Aziatische landen.
Door druk van het IMF moeten wel prijsverhogingen afgekondigd worden, die onvermijdelijk massale protesten tot gevolg hebben, waardoor de regering binnenslands onder druk komt te staan.
Vervolgens gaat het buitenland er zich mee bemoeien en de internationale druk op het regiem is compleet. Het regiem verzet zich tegen buitenlandse inmenging en tegen de steeds groter wordende eisen van oppositionele groeperingen. Zo wordt het regiem wel gedwongen om concessies te doen wil de buitenlandse druk niet nog meer opgevoerd worden. Of de oppositie wordt neergeslagen; dat is ook een mogelijkheid. Al deze methoden staan uitvoerig beschreven in het recente boek van John Perkins: Onthullingen van een economische moordenaar.

Dat de belangen van het IMF anders zijn dan de belangen van westerse multinationals en internationale oliemaatschappijen, blijkt uit het feit dat de laatstgenoemden het meest profiteren van rust en stabiliteit. Veel van deze westerse bedrijven die actief zijn in Birma, werken via conglomeraten en joint ventures samen met vertegenwoordigers van de regerende macht, zoals bij voorbeeld het ministerie van defensie. Met name op het gebied van olie-en gaswinning, handel in hardhout en mineralen.
Olie en gas in ruil voor wapens van China en Rusland is de voornaamste drijfveer van deze politiestaat. Maar iedereen vaart er economisch wel bij, ondanks de grove mensenrechtenschendingen in het land.  China, Rusland en India willen een rustig en stabiel Birma.
Het land heeft een belangrijke strategische ligging tussen deze grootmachten. Of het land nu geregeerd wordt door een dictatuur of een soort democratie is hun om het even, zolang ze maar kunnen profiteren van de olie-en gasvoorraden. Alle mogelijke instabiele situaties moeten voorkomen worden. Om aan de macht te blijven is de junta immers sterk afhankelijk van economische contacten met het buitenland.

Volgens de Economist Intelligence Unit zullen de komende jaren de off-shore gasreserves versneld geëxploiteerd worden, met een jaarlijkse groei van bijna 11%. Birma heeft reeds miljarden dollars geïnvesteerd in deze gasvelden. De grootste afnemers zijn inmiddels China, India en Thailand.
Ook beschikt Birma over de op negen na grootste aardgasreserves ter wereld.

Voor Birma is Amerika de grootste vijand, althans volgens de propaganda die grotendeels voor binnenlandse consumptie bestemd is.
In werkelijkheid wordt er tussen Birma en de VS en andere westerse bedrijven nauw samengewerkt.
Niet alleen Chinese en Indiase oliemaatschappijen, maar ook oliemaatschappijen als het Britse Premier Oil dat een lading kritiek over zich heen kreeg, maar nog steeds zaken doet met de militairen. Evenals het Franse Total, de grootste Thaise oliemaatschappij, Daewoo International, het Japanse Nippon Oil, maar ook Unocal (nu Chevron), dat bekendheid kreeg door olieconcessies van de nieuwe Amerikaans gerichte regering in Afghanistan, die in het zadel geholpen werd nadat de Taliban door het Amerikaanse leger werd verdreven.
Verder verdienen de volgende Amerikaanse bedrijven vette winsten aan het regiem dat zich schuldig maakt aan talloze mensenrechtenschendingen:
AT&T, American Express, Procter&Gamble, Sony, Eastman Kodak, Ford Motor, ITT, Mitsubishi, Textron, Estee Lauder, Caterpillar en niet te vergeten Halliburton, het bedrijf waar Richard Cheney ooit directeur van was en dat als een verlengstuk fungeert van het Amerikaanse leger. Halliburton is met fraude en bedrog rijk geworden aan de oorlog in Irak.
Ook banken hebben belangen in Birma: onder andere Citigroup en Deutsche Bank, die investeren in een Chinees olieconcern dat een belangrijke rol speelt in de ontginning van een gasveld in het land. Verder zijn er diverse Nederlandse bedrijven actief in dit land, met name voor de export van hout naar Nederland.
Duitsland is een leverancier geweest van allerlei schiettuig, onder andere een aanvalsgeweer dat nu tegen demonstranten is gebruikt. Ook heeft Duitsland een enorme kruitfabriek gebouwd. Pantserwagens van Deutz zijn via de Ukraïne naar Birma verscheept, zo bleek uit het Duitse actualiteiten programma Monitor vorige week.

Volgens berichten in de South China Morning Post van 21 oktober jl., blijken monniken opgeleid en getraind te zijn door het National Endowment for Democracy (NED), hoe ze effectief geweldloos verzet kunnen plegen en hoe ze gebruik kunnen maken van moderne communicatiemiddelen en hoe ze zich moeten weren tegen infiltranten.
Medewerkers van het NED hebben tegenover deze krant bevestigd dat ze de Birmese monniken hebben voorbereid op de jongste opstand, die overigens niet tot succes leidde. Het NED heeft trainingen gefinancierd in Thailand met behulp van Amerikaanse, Zuid-Afrikaanse, Indiase en Servische experts in dienst.
Het NED heeft inmiddels zijn sporen verdiend met de vreedzame omwentelingen van de afgelopen jaren in Servië (2000), Georgië (2003), Oekraïne (2004), Azerbaidzjan, Kirgizië en Uzbekistan.
Samen met andere, voornamelijk Amerikaanse mensenrechtenorganisaties als Freedom House, Carnegie Endowment en Soros ‘outfits’ als Burmanet, waren en zijn zij bezig met ‘regime change’ . Hierover is inmiddels genoeg bekend. De voormalige directeur van het NED was ooit hoofd van de CIA.
Het gaat hier allemaal om landen waar op een of andere manier olie een belangrijke rol speelt of de komende jaren gaat spelen. En allemaal landen die in de geostrategische visie van de Amerikanen een essentiële rol spelen of gaan spelen in de grote aanvoerlijnen voor olie en gas naar het westen en de VS en die belangrijke pionnen zijn in de geopolitieke controle van Eurazië.

Het KNP heeft enkele jaren geleden hierover een persbericht geschreven waarin duidelijk werd dat veel van deze specifiek Amerikaanse mensenrechtenorganisaties gesteund worden door de CIA. Een kijkje op de websites van deze organisaties laat zien dat er in het bestuur mensen zitten met nauwe connecties met Amerikaanse inlichtingendiensten en met name met het State Department, het Amerikaanse ministerie van Buitenlandse Zaken. Het NED is in de jaren tachtig door het Amerikaanse Congres opgericht met het specifieke doel om CIA operaties te privatiseren.

In enkele jaren is China de belangrijkste handelspartner van Birma geworden en heeft de positie die Japan traditioneel had overgenomen. China is nu de belangrijkste politieke beschermheer van de junta.  Het heeft de afgelopen tien jaar niet alleen voor 1 miljard euro aan wapens geleverd, maar het heeft veel in de olie en gaswinning geïnvesteerd. Met de aanleg van een transnationale pijplijn door Birma, krijgt China nu een verbinding met de Indische Oceaan. De olie-importen die van het Midden-Oosten via de gevaarlijke Straat van Malakka moeten, waar zeerovers en piraten olietankers enteren, kunnen nu via de Golf van Bengalen in de Birmese havens plaatsvinden en vandaar uit met pijpleidingen verder getransporteerd worden. China vermindert zo zijn kwetsbaarheid.
China vreest dat in tijden van politieke spanning de Amerikaanse vloot wel eens de Straat van Malakka zou kunnen afsluiten. Maar met een Chinees uitzicht op de Indische Oceaan, zullen de Amerikanen ook niet echt gelukkig zijn.
Inmiddels wordt er tussen Birma, India en Bangla Desh onderhandeld over een grote transnationale gaspijplijn door de drie landen. En ook India en Rusland zijn kapers op de Birmese kust.
India probeert in een samenwerkingsverband met de Amerikanen de Chinese invloed terug te dringen.

Rusland, China, Thailand en India, maar ook westerse multinationals en internationale oliemaatschappijen hebben maar één doel: het regiem in stand houden en stabiliteit waarborgen.
Dit zijn dus andere belangen dan het IMF en een groot aantal mensenrechtenorganisaties die uiteindelijk ‘regime change’ willen en een pro-westerse regering willen installeren die een buffer moet vormen tegen de regionale grootmacht China. De huidige crisis in Birma lijkt dus eerder door westerse regeringen, het IMF en mensenrechtengroeperingen als instrument tegen China gebruikt te worden.