Vorige week werd in Belfast het nieuwe Noord-Ierse kabinet geïnstalleerd. Minister van Onderwijs in dit kabinet is Martin McGuinness, vertegenwoordiger van Sinn Féin, de politieke arm van het verboden Ierse Republikeinse Leger (IRA). Wie is hij eigenlijk?

Martin McGuinness is bekend geworden als belangrijkste onderhandelaar voor Sinn Féin in de besprekingen die in 1998 leidden tot het Goede Vrijdag-akkoord van Belfast. Samen met Gerry Adams werd hij in 1997 gekozen als lid van het Britse parlement. Hij weigerde zijn zetel in te nemen omdat hij geen trouw wilde zweren aan koningin Elizabeth. Ook werd hij gekozen in de Noord-Ierse assemblee.


McGuinness vertegenwoordigt Sinn Féin, de belangrijkste republikeinse politieke partij van Noord-Ierland. Deze partij is ook in de Ierse republiek actief, maar heeft daar nauwelijks aanhang. Het republikanisme is een stroming binnen het Ierse nationalisme. Ierse nationalisten hangen de Groot-Ierse gedachte aan. Zij streven naar de aansluiting bij de Ierse republiek van de 6 graafschappen die deel bleven van het Verenigd Koninkrijk na de afscheiding van Zuid-Ierland in 1920. Binnen dit nationalisme vormt het republikanisme een aparte vleugel. De republikeinen streven naar een verenigde Ierse socialistische volksrepubliek.

Sinn Féin/IRA vertegenwoordigt slechts een klein gedeelte van de rooms-katholieken van Noord-Ierland. In het verleden verklaarde Gerry Adams echter dat de IRA geen electoraal mandaat nodig heeft voor een gewapende strijd. In tegenstelling tot wat zij beweert, laat Sinn Féin zich weinig aan de democratie gelegen liggen.
Hoewel het kader van Sinn Féin het in alle toonaarden ontkent, is het niet moeilijk te bewijzen dat Sinn Féin sterke banden heeft met de IRA.
De Britse regering heeft dit ook altijd erkend, gezien het feit dat zij tot voor enkele jaren niet met Sinn Féin om de tafel wilde. Veel leden en kaderleden van Sinn Fijn zijn ook actief (of geweest) als IRA-vrijwilliger. Een bekende slogan van het republikeinse kamp geeft de tactiek van de beweging aan: “Het stembiljet in de ene hand en de bom in de andere.”  Naast Gerry Adams, naar wie onlangs in San Francisco een straat is genoemd, blijkt ook Martin McGuinness een leiderspositie in de IRA te hebben of te hebben gehad.
McGuinness sloot zich in 1970 aan bij de Official IRA. Later stapte hij over naar de Provisionals. In 1973 werd hij in Donegal gearresteerd. In zijn auto bevonden zich 250 pond explosieven en 5000 stuks munitie. Toen hij voor het gerecht stond, dat hem tot 6 maanden cel veroordeelde, verklaarde hij: “Ik ben lid van de Derry brigade van Oglaigh Na Heireann (de IRA) en daar ben ik heel erg trots op.”

Veiligheidstroepen in Ulster geloven dat hij stafchef is geweest van de Legerraad van de IRA en commandant van de IRA in Londonderry. Tijdens zijn commando (1971-1973) voerde de IRA in Londonderry een meedogenloze strijd van moorden en bomaanslagen. Van de 150 winkels in deze stad bleven er slechts 20 over. Ook kostten deze ‘successen’ van de IRA veel onschuldigen het leven. In 1983 verklaarde hij in de Sunday Times dat “de enige reden waarom hij niet in de cel zat, was dat de overheid hem niet te pakken kreeg.” Toch moest hij twee keer een gevangenisstraf uitzitten in de Ierse republiek.
Ook zijn vrouw Bernadette zat in de gevangenis. De bekende IRA-activist Sean McStiofain verklaarde nog in 1998 dat McGuinness en Adams lid waren van de IRA. In zijn publicatie Rebel Hearts uit 1995 stelt Kevin Tollis: “Geen andere levende persoon is een grotere dreiging voor de Britse staat.” Nog in 1983 sprak hij over “het legale en morele recht van de IRA om op welk moment dan ook een Britse soldaat te doden.” De laatste tijd heeft McGuinness steeds ontkend dat hij lid is geweest van de IRA. Toch heeft hij het nooit aangedurfd om Unionistische politici die dit beweerden voor de rechter te dagen wegens smaad.

McGuinness heeft nooit een geheim gemaakt van zijn haat tegen ‘de Britten’, zijn verlangen om een einde te maken aan de ‘scheiding van Ierland’ en het feit dat hij het gezag van het Britse leger, het Koninklijke Ierse Regiment (RIR) en de Koninklijke Ulster Politie (RUC) niet erkent. In augustus meldde de Washington Post dat de Sinn Féin-politicus wist wie de daders zijn van de bomaanslag in Omagh van 15 augustus 1998. Hij verklaarde dit niet aan de politie te willen doorgeven. “Ik ben geen informant. U kunt van mij niet verwachten dat ik zo de politiemacht erken. Ik heb geen respect voor de RUC. Ik zal ze niet helpen.” Politieke belangen gaan bij McGuinness dus nog altijd vóór een goede rechtspleging.

Maar waarom is deze man dan toegetreden tot de Noord-Ierse assemblee en het kabinet, die hun macht toch uiteindelijk afleiden van de Britse regering?
McGuinness heeft een logische redenering achter wat voor velen een totale ommekeer in zijn politieke gedrag lijkt. Sinds 1997 hebben unionistische politici die achter het Goede-Vrijdagakkoord staan, concessies aan Sinn Féin gedaan.
De ‘voormalige’ terrorist kon zitting nemen in de regering door het tweesporenbeleid van het stembiljet in de ene en de bom in de andere hand. Door telkens weer te dreigen met terugkeer naar geweld, konden de republikeinen concessie na concessie van de unionisten afdwingen.

Dit alles was niet mogelijk geweest zonder de steun van de Britse premier, de premier van de Ierse republiek en de president van de Verenigde Staten. Zij waren het die McGuinness en zijn geestverwant Adams omhelsden en de gezagsgetrouwe Noord-Ierse protestanten in de kou lieten staan. Ook de unionistenleiders die het Akkoord steunen hadden kunnen voorkomen dat deze McGuinness nu op een verheven post zit. Als zij hun verkiezingsbeloften van “No guns, no Government” waren nagekomen, hadden zij Ulster kunnen besparen dat een van de grootse vijanden van haar voortbestaan nu de touwtjes mede in handen heeft.

bronnen: The Ulster Examiner, The Burning Bush, The Washington Post, De Telegraaf, CNN website, The Sunday Times, The Observer, Frontline website