De Zuidafrikaanse ‘Frontline Fellowship’ onder leiding van Ds. Peter Hammond zet haar werk voort in Zuid-Soedan, waar de christenen nog steeds in conflict zijn met het leger van de Moslims.
De oorlog duurt al 41 jaar en het einde is nog niet in zicht. Integendeel. De bombardementen nemen in aantal en hevig­heid toe. Beschie­tingen door de artillerie zijn aan de orde van de dag.

De ‘Fellowship’ heeft achter de frontlijn twee veldhospita­len ingericht, heeft 17 verplegers getraind en 1000 kilo medicij­nen en verband aangevoerd.
De zendelingen zijn geen toeschouwers, maar werken op een ander gebied mee zo veel als ze maar kunnen. Ze hebben ook 8500 bijbels en christeli­jke lectuur uitgedeeld, terwijl ze op zondag de vervolgde kerken helpen, die vergaderen in of naast de ruïnes van hun gebouwen. Twee van hen (Scott en Rob) kregen zo erg malaria, dat ze teruggetrokken moesten worden.

Sommige dorpen en steden liggen er verwaarloosd bij de wegen kapot gereden door militaire voertuigen.
Het werk van de zendelingen is extra moeilijk gemaakt, omdat hun hoofdkantoor in Kaapstad is leeggeroofd door dieven, die de telefoons en de fax hebben meegenomen. Het heeft twee maanden geduurd om de verbindingen te normaliseren; in de tussentijd gingen er 5 van de 12 vrachtwagens met hulpgoederen verloren. Twee predikanten werden door de Moslims ontvoerd…

Ds.Peter Hammond heeft een rondreis van zeven weken door de V.S. gemaakt om over de toestand in Zuid-Soedan te vertel­len. Meteen daarna is hij weer naar de frontlijn gegaan. Zonder zijn vrouw Lenora, want zijn jongste zoon Christopher ligt in het ziekenhuis en heeft twee operaties ondergaan.
Hij heeft een stapel catechismus-boekjes in de Moru-taal meegeno­men, plus 1000 exemplaren van het vertaalde bijbelboek Gene­sis. De voorrad bijbels in de talen Bari, Zande en Dinka Padang is uitgeput, maar daar wordt aan gewerkt dank zij giften uit de V.S..

Het is buitengewoon moeilijk het gevechtsterrein binnen te dringen.
Waarnemers van de Verenigde Naties werken de zende­lingen tegen en wensen met name geen invoer van bijbels, die de Moslims zouden kunnen irriteren…
Na het overwinnen van talrijke moeilijkheden heeft Ds. Hammond toch de provincie Equatoria kunnen bereiken en werd hartelijk verwel­komd door de gouverneur in de hoofdstad Maridi. In de grote kerk werd een gezamenlijke dienst gehouden van de dertig gemeenten aldaar. Ook was er een openbare samen­komst in de aangrenzende stad Kotobi. De toe­hoorders vergaten even hun lijden en angst om samen God’s lof te zingen. In de plaats Maridi werd Ds. Ham­mond uitgeroe­pen tot ereburger, ‘de stem van de verdrukten in Soedan’.

In Mundri, in de rimboe van Moroeland, werd een godsdienst­oe­fening in de open lucht gehouden met vluchtelingen uit de door de Moslims bezette gebieden.
De vluchtelingen staken met grote moeite in primitieve kano’s de rivier de Yei over om het vege lijf te redden. Door het vervuilde water liepen veel van deze vluchtelingen besmette­lijke ziekten op.
Sommige gezinnen hebben vier of vijf keer moeten verhuizen om aan de Moslims te ontkomen. Dorpshoofd Yoenamo Iningwa vertel­de, dat door al dat opjagen, de boeren al zes jaar hun graan niet hebben kunnen oogsten; de onderdrukkers maakten zich er meester van.

Het stelen van vee en platbranden van dorpen doen de Moslims systematisch.
De administrateur van de plaats Jambo, Peter Khamis, werd gegrepen en in het openbaar gemarteld (alle tien vingers gebro­ken en zijn oren afgesneden) door leden van het Soedanese regeringsleger. Alle inwoners van Buagui en Lanyi werden voor de keus ge­steld: Moslim worden of gemarteld worden. velen liepen daardoor banjo­net-steken op en werden zelfs handen en voeten afgehakt.

Volgens Fronline Fellowship is de stad Lui getrof­fen door drie bommen  met chemische lading, waardoor elk levend wezen is gestorven…