De directeur van de Franse organisatie Survie, Francois-Xavier Verschave, bekritiseert de politiek van zijn land richting Afrika. Volgens hem worden de Franse ex-koloniën in Afrika nog steeds beheerst door een kongsi dat een ondergronds netwerk van politici en diplomaten vormt, die wrede dictators aan de macht helpt en corruptie laat gedijen.
Verschave is sinds 1995 hoofd van deze non-gouvernementele organisatie. Hij concentreert zich op Afrika en bindt al jaren de strijd aan tegen de duistere kanten van de Franse Afrika-politiek.

In het maandblad Onze Wereld van november vorig jaar wordt een tipje van de sluier van de Franse buitenlandse politiek opgelicht. De Franse Afrika-politiek bestaat uit een serie informele netwerken van politici en diplomaten, waar ook ritselaars en zelfs regelrechte criminelen deel van uitmaken en die al decennia lang wrede onderdrukkers in het zadel helpen en houden.

In een interview met Verschave zegt hij dat dit netwerk is ontstaan rond 1960 toen Afrikaanse landen bezig waren onafhankelijk te worden.
De toenmalige president Charles de Gaulle heeft zijn speciale Afrika-adviseur Jacques Foccart opdracht gegeven een stelsel in het leven te roepen dat de koloniën politiek, diplomatiek, militair en economisch blijvend aan Frankrijk zou binden. “Hij deed dat door letterlijk staatshoofden te selecteren”. Overal werden er vriendjes benoemd, in het parlement, in het leger of bij de geheime dienst. “Op het oog ziet het er prachtig uit: Frankrijk helpt Afrika verder. Maar de 80% die je niet ziet, bestendigt de afhankelijkheid en doet dat met alle mogelijke geoorloofde en ongeoorloofde middelen, inclusief verkiezingsfraude, staatsgrepen en moordpartijen”.

“Veertig jaar Franco-Afrikaanse relaties zijn gebaseerd op principes en methoden die geheim en zelfs occult zijn. Het heeft een groep van schurken voortgebracht. We weten nu dat de corruptie en de economische criminaliteit niet zomaar marginale verschijnselen zijn in de Francafrique, maar er het hart van uitmaken”.
Het verzet tegen de Franse politiek werd vaak in bloed gesmoord. Afrikaanse politici die echt hun volk vertegenwoordigden werden geëlimineerd.

Zo is Frankrijk medeschuldig aan de moord op de vorige presidenten in Togo, Burkina Faso en aan moordpartijen in Kameroen en Ruanda in 1994, alsmede aan het nodeloze verlengen van de Nigeriaanse burgeroorlog door gewapende steun aan Biafraanse rebellen. Ook heeft Frankrijk staatsgrepen met behulp van huurlingen ondersteund en steun aan bloeddorstige krijgsheren gegeven. Bijna geen enkel staatshoofd in Afrika is democratisch gekozen.
“Zaken die maar voor de helft te wijten zijn aan Afrikaans wanbestuur. Want het centrum van dit systeem is nog altijd dezelfde plek waar het rond 1960 zijn oorsprong kende: het presidentiële paleis aan de Champs Elysées. Van hieruit heeft men een stel Afrikaanse onderkoningen geïnstalleerd, die het neokoloniale systeem voortzetten. Die onderkoningen zijn in de loop van de jaren steeds corrupter en wreder geworden. Er is dus een wederzijdse besmetting met slechte gewoonten ontstaan. Dat geldt zeer beslist voor de huidige president Jacques Chirac”. Verschave beschrijft deze zaken uitgebreider in zijn boek ‘Noir Chirac’. Volgens hem gaat achter bijna alle conflicten de vraag schuil wie de oliestromen beheerst.

Survie heeft ook onderzoek gedaan naar Franse hulpgelden. Slechts twee procent wordt aan directe armoedebestrijding besteed. Verschave is een tegenstander van gezamenlijke Europese hulpfondsen voor Afrikaanse landen, omdat Frankrijk dan een relatief groot deel van alle gelden krijgt en die naar eigen believen kan besteden in haar favoriete landen.
Het Franse systeem van hulpverlening werkt volgens Verschave anders. “Daar moet je voor uit kijken: een grote hoeveelheid ontwikkelingsgeld is verleidelijk. Het kan gebruikt worden om corruptie aan te wakkeren en zeker als die hulp gaat naar landen met een zwak bestuur. Zo wordt publiek hulpgeld vóór ontwikkeling veranderd in privé-hulpgeld tégen ontwikkeling. Als dat gebeurt, dan besmet de Francafrique de ontwikkelingssamenwerking in andere landen. En niemand is immuun”.
Verschave kritiseert hierbij ook ‘de klakkeloze Nederlandse hulp aan een schurkenstaat als Burkina Faso’. Dit land is nauw verbonden met twee andere schurkenstaten: Libië en Liberia. “Waarom wordt deze hulp niet eens stevig tegen het licht gehouden?” De Europese belastingbetaler is hiervan nauwelijks op de hoogte.

Over de ontmanteling van het Franse systeem is Verschave nogal pessimistisch. Een lichtpunt is het Internationaal Strafhof, ‘een politiek heel belangrijk instrument om een eind te maken aan de straffeloosheid’.
Verschave: “In Europa neemt de kennis snel toe over hoe mechanismen van economische en financiële onderdrukking werken, hoe de hulp aan dictators georganiseerd is. Ik zie bij mijn lezingen steeds meer jong, geïnteresseerd en dynamisch publiek. Daar put ik enige hoop uit”.